Hoe zouden de Noordzee en de rivieren reageren op de aanleg van dammen en waterkeringen? Dat was een van de grote vragen bij de bouw van de Deltawerken. Om het gedrag van het water te voorspellen waren complexe berekeningen nodig. De getijrekenmachine Deltar bood uitkomst.

Redden wat er te redden valt

Op 1 februari 1953 kreeg Johan van Veen, ingenieur bij Rijkswaterstaat, droevig gelijk. In Zeeland en Zuid-Holland braken de dijken door en vond de ramp plaats waartegen hij al zo lang had gewaarschuwd. Sinds 1937 wees hij erop dat de dijken te laag waren om een stormvloed te weerstaan.

Van Veen was al jaren in een pennenstrijd gewikkeld over de manier waarop de kustverdediging het best kon worden aangepakt. Om het gedrag van het water te voorspellen waren ingewikkelde berekeningen nodig, en de vraag was wat het beste rekensysteem was. Nobelprijswinnaar Hendrik Lorentz had een wiskundige methode bedacht om de waterloop te bepalen, de zogeheten ‘exacte methode’. Daarnaast zorgde het Waterloopkundig Laboratorium, met vestigingen in Delft en de Noordoostpolder, met enorme schaalmodellen van zeearmen en rivieren voor een proefondervindelijk systeem.

Professor Hendrik Lorentz

Rekenlineaal

Zelf had Van Veen een derde methode ontwikkeld: de ‘elektrische’. Om het gedrag van water te verklaren vergeleek hij getij- en rivierstromen met elektrische stroom. Hij bouwde in de jaren veertig al zogeheten ‘analogons’, machines gebaseerd op dit principe. De eerste kwam tot stand in een laboratorium in Hilversum. Het was een nabootsing van de Lek tussen Wijk bij Duurstede en Krimpen.

Wetenschappelijke ruzie

Een collega van Van Veen, de wiskundige Jo Dronkers, zag meer in de methode van Lorentz. Toen de Afsluitdijk in 1932 werd gedicht was die namelijk behoorlijk nauwkeurig gebleken. Frappant is dat Dronkers en Van Veen publiekelijk ruziemaakten. In 1946 culmineerde dat in een polemiek in het blad De Ingenieur. Van Veen reageerde op Dronkers: ‘Ik verzoek hem dus geduld te hebben, zooals ik reeds tien jaren geduld heb gehad met zijn rekenmethoden, wier becijferingen maar nooit klaar komen en reeds te dikwijls herziene, telkens verschillende uitkomsten gaven.’ Om een indruk te geven: het rekenwerk op Dronkers’ afdeling werd nog verricht met rekenlinialen.

Rekenlineaal

Jo Dronkers

Na de Watersnoodramp moest er zoveel gebeuren en kwam er zoveel extra overheidsgeld vrij dat het gekibbel kon worden omgezet in ‘prettige samenwerking en edele wedijver’. Van Veen en Dronkers werden geen vrienden, maar ze begroeven de strijdbijl. Dronkers ging door met zijn wiskundige methode. En Van Veen voltooide met zijn medewerker Johan Schönfeld in 1954 een nieuw, groter analogon.

Dit experimentele ‘elektrische model’ was zo veelbelovend dat Rijkswaterstaat de opdracht gaf voor de bouw van een definitieve ‘getijrekenmachine’. Het enorme apparaat kreeg de naam Delta Getij Analogon Rekenmachine, afgekort: Deltar.
De Deltar zou uiteindelijk niet worden verwezenlijkt door Van Veens Studiedienst bij Rijkswaterstaat, maar door de Technisch Physische Dienst (TPD), een gezamenlijk laboratorium van de TH en TNO in Delft. Johan van Veen maakte de geboorte van zijn geesteskind niet meer mee. Eind 1959 bezweek hij op 65-jarige leeftijd aan een hartaanval.

Dr.ir. C .J. D. M. Verhagen, 1967 Foto Fotografische Dienst TU Delft.

 

 

De uiteindelijke totstandkoming van de Deltar staat op naam van Cornelis Marinus Verhagen, die leidinggaf aan de nieuwe afdeling Fysische Elektronica en Instrumentatie van de TPD. Barakken aan de rand van het Haagse Malieveld werden de thuisbasis van de Deltar. Vanuit Rijkswaterstaat werd Verhagen terzijde gestaan door Schönfeld.

Het geknutsel met koperdraden, condensatoren en zelfinductiespoelen op een plankje in de jaren veertig was uitgegroeid tot drie lange wanden vol knopjes, lichtjes, wijzertjes en in het midden twee grote bedieningspanelen. In omvang was de Deltar ronduit indrukwekkend. Zeker in vergelijking met een hedendaagse laptop, die – met de juiste software – tot hetzelfde in staat zou zijn als die enorme machine.

Succesvol

Vanuit het huidige perspectief was de Deltar een technologische dinosaurus. Of misschien is de vergelijking met een neanderthaler beter. Want zoals de neanderthaler aanvankelijk een tijdgenoot was van de Homo sapiens, zo bestond de Deltar in de jaren zestig en zeventig naast de voorloper van de moderne computer. En net als de neanderthaler heeft de Deltar uiteindelijk het onderspit gedolven wegens een gebrek aan flexibiliteit. Zowel de moderne mens als de moderne computer beschikte over een superieur aanpassingsvermogen en onbegrensde inzetbaarheid.

Mastodont

De Deltar kwam vanaf 1960 in fases gereed. Een van de eerste keren dat het apparaat werd ingezet voor een praktisch doel betrof de afsluiting van de Grevelingen bij Bruinisse in het voorjaar van 1962. De voorspelling van de stroming in het sluitgat van de dam bleek aardig overeen te komen met de werkelijkheid. Het doodtij – dat eens in de veertien dagen optreedt als het verschil tussen eb en vloed het kleinst is – werd zelfs bijna precies voorspeld. En dat is van groot belang als het aankomt op het dichten van een sluitgat in een dam.

Deltar blijkt een technologische neanderthaler

De Deltar groeide uit tot een succes. In de jaren zestig en zeventig werd het apparaat geregeld geraadpleegd bij de aanleg van de Deltawerken. Bij de afsluiting van het Volkerak en het Haringvliet bijvoorbeeld voorspelde de Deltar de stroomsnelheden en het doodtij. Tijdens de bouw van de stormvloedkering in de Oosterschelde werd hij eveneens gebruikt. Het apparaat was voor waterstaatkundige doeleinden universeel inzetbaar. Ook voor kwesties die niets met de Deltawerken te maken hadden.

Cruciaal gepruts

Intussen beschikten Jo Dronkers en zijn rekenaars bij Rijkswaterstaat vanaf 1963 over een eigen digitale computer, de Britse Elliott 503, waarmee ze hun getijdenberekeningen konden doen. De wiskundige methode was altijd al nauwkeuriger geweest dan de ‘elektrische methode’, maar wel beduidend langzamer. In elk geval tot het begin van de jaren zeventig bleef de Deltar sneller dan de moderne computer. Hij was bovendien makkelijker te bedienen dan de digitale Elliot-computer. Voor de bediening waren in 1966 zeventien operators opgeleid.

Toch zou de exacte methode van Dronkers dankzij de digitale Elliott-computer geleidelijk terrein winnen op Van Veens analoge Deltar. In 1975 werden de gebouwtjes op het Malieveld afgebroken. De Deltar verhuisde naar een pand in het Rijswijkse Havenkwartier. In de jaren tachtig waren digitale computers inmiddels zo geavanceerd dat ze niet alleen de benodigde wiskundige berekeningen snel konden uitvoeren, maar ook in staat waren tot dezelfde simulaties als de Deltar.

De Deltar, 27 januari 1972. Foto Henri Cormont – Beeldbank VenW.nl, Rijkswaterstaat, Piubliek domein Wiki

 

 

In 1984 is de Deltar uiteindelijk ontmanteld. In onze tijd worden waterbewegingen berekend en gesimuleerd door computermodellen zoals Delft3D van waterbouwkundig instituut Deltares. Het Waterloopkundig Laboratorium in de Noordoostpolder sloot in 1995 zijn deuren, maar op de locatie in Delft worden nog steeds fysieke schaalproeven uitgevoerd voor specifieke toepassingen.

De analoge Deltar is een doodlopende vertakking gebleken in de evolutie van de computer. Maar dankzij het elektronische gepruts konden wel data worden vergaard die cruciaal waren voor de bouw van de Deltawerken, die nog altijd het westen van Nederland drooghouden.

Bron: Historisch Nieuwsblad

Fanta Voogd is journalist, gespecialiseerd in techniekgeschiedenis.