Uithuizermeeden ligt in het noorden van Groningen. Slechts een paar kilometer van de Waddenzee. Hier op de meest noordelijk gelegen boerderij van ons land werd op 21 december 1893 Johannes van Veen geboren. Hij was de vijfde telg uit een boerengezin van zeven kinderen. Vermoedelijk dacht iedereen dat hij ook wel boer zou worden.

Opleiding

Johan werd geen boer. Door zijn vlugge geest drong zijn onderwijzer op de lagere school er bij zijn ouders er op aan hem naar de HBS in Groningen te sturen. En die gingen daar in mee. Na de HBS ging van Veen verder studeren. In 1913 trok hij naar Delft waar hij civiele techniek ging studeren aan de Technische Hoogeschool. Hij doorliep zijn opleiding met glans, een jaar na het afstuderen van Jo Thijsse, de zoon van de bekende bioloog Jack P. Thijsse. Met Jo Thijsse zou later van Veen vaak sterk van mening verschillen.

Johan van Veen (1953) Foto J.D. Noske Anefo – Nationaal Archief, Publiek domein Wiki

Provinciale Waterstaatwerken

Eenmaal afgestudeerd om 1919 ging Van Veen aan de slag bij het Ontwateringsbureau van de Provinciale Waterstaat van de Provincie Drenthe. Dit bureau had tot taak plannen te ontwikkelen om de afwatering en de wegenstructuur van de provincie te verbeteren. Het doel daarvan was de landbouwopbrengsten te verhogen en de afvoer van de oogsten te kunnen maken.

De eerste Wereldoorlog had op een pijnlijke manier duidelijk gemaakt dat ons land voor de voedselvoorziening voor een te belangrijk deel afhankelijk was van het buitenland.

Door de werkverschaffing werden de plannen uitgevoerd

 

 

 

 

 

 

Samen met de in Wageningen afgestudeerde F.P. Mesu ging Van Veen de begrenzing van de stroomgebieden in kaart brengen. Hij voerde stroommetingen uit en bracht die in kaart en voerde waterpassingen uit in beekdalen en op de aangrenzende hogere gronden. Het doel daarvan was het nivelleren van het verschil in hoogte tussen twee punten te bepalen. Op basis hiervan diende Van Veen voorstellen in bij de provincie om de resultaten van zijn metingen uit te laten voeren. Dat gebeurde dan in het kader van de werkverschaffing en werd uitgevoerd door de Nederlandse Heide Maatschappij.

Moengo, hoofdkwartier van de Bauxiet Maatschappij. Foto Tropenmuseum

Suriname

Na zeven jaar verliet Van Veen zijn bureau in Drenthe. Hij trok naar de andere kant van de wereld. In Suriname ging hij van augustus 1926 tot oktober 1928 aan de slag bij de Surinaamse Bauxiet Maatschappij, een Amerikaans bedrijf. Op 5 mei 1927 trouwde hij in Moengo, waar de Bauxiet Maatschappij haar hoofdvestiging had.

Door zijn werk voor de Amerikanen was hij regelmatig aanwezig in de Verenigde Staten. Ontmoetingen met zijn naar de VS geëmigreerde zus Anne waren dan ook vaste prik.

Van oorsprong kwam Van Veen uit een hervormd gezin. De familiebank van de familie Van Veen staat nog steeds in de kerk van Uithuizermeeden. Onder invloed van zijn zus bekeerde hij zich in die periode tot de Christian Science Kerk. Hij geloofde dat de mens het land weer moest vormgeven zoals God het ooit had bedoeld.

Paleis voor Volksvlijt voor de brand

Brandweerman

In oktober 1928 keerde Van Veen terug naar Nederland. Hij vestigde zich in Amsterdam waar hij ging werken bij de stadsbrandweer. Het Paleis voor Volksvlijt was een groot glazen tentoonstellingsgebouw aan het Frederiksplein in de hoofdstad

Het prachtige in glas opgetrokken gebouw werd gerealiseerd door de Vereeniging voor Volksvlijt en gebouwd tussen 1859 en 1864. In april 1929 werd het volledig door brand verwoest. Van Veen, betrokken bij het blussen, besefte dat dit soort werk niet datgeen was waarvoor hij had gestudeerd.

Rijkswaterstaat

In juni van dat jaar begon hij aan een loopbaan bij Rijkswaterstaat die ruim 30 jaar zou duren. Zijn eerste opdracht was het veiliger maken van het Hellegat, een water in Zuid-Holland waar het Haringvliet, het Hollands Diep en het Volkerak samenkomen. De naam had het te danken aan de kolkende getijstromen waar regelmatig schepen vergingen. Hiervoor ontwierp hij een leidam die evenwijdig aan de stroming liep en het water in een bepaalde richting stuwde en daardoor een veilige vaargeul schiep.

In 1929 was bij Rijkswaterstaat de Studiedienst Zeearmen, Benedenrivieren en Kusten opgericht. Na zijn succes in het Hellegat werd Van Veen in 1933 overgeplaatst naar deze dienst.

Van Veen, uitkijkend over zijn opdracht

Publicaties

Eenmaal gewend aan zijn nieuwe positie zat Van Veen bepaald niet stil. Hij bedacht nieuwe formules om de getijden te berekenen. Behalve een proefschrift waarop hij promoveerde en artikelen in de ‘Ingenieur’, een al lang bestaand en gerespecteerd maandblad, schreef Van Veen 90 van de totaal ca. 160 rapporten die de Studiedienst tussen 1933 en 1945 uitbracht.

Cassandra

De naam Cassandra betekent ‘Zij die mannen verstrikt en verwart’. In de Griekse mythologie was Cassandra een van de dochters van Priamus, de koning van Troje. Zij was zo beeldschoon dat de god Apollo het bed met haar wilde delen. Cassandra stemde hiermee in, op voorwaarde dat zij vooraf de gaven van het voorspellen van de toekomst in ruil zou krijgen. Toen Apollo haar wens had vervuld weigerde Cassandra haar belofte na te komen.

Cassandra bij haar voorspelde val van Troje

 

Apollo werd woedend en besloot haar te straffen. Maar goden konden een verleende gave nooit meer ongedaan maken. Hij vroeg haar dan tenminste nog een laatste kus. Toen zij daarmee wel instemde spuwde hij een vloek in haar mond waardoor niemand haar voorspellingen zou geloven.

Cassandra Van Veen

Van Veen mat zich het pseudoniem Cassandra aan. Noodzakelijk. Onder dit pseudoniem kon hij het zich vanaf 1937 al veroorloven gedachten en ideeën te publiceren die politiek nogal gevoelig lagen, zonder hiermee persoonlijk in de problemen te komen. Ook wist hij toen al dat het preken voor eigen parochie was. Zijn ideeën en opvattingen schopten tegen open deuren, maar er werd niet naar hem geluisterd.

Studies en raadgevingen

Talloze studies van Van Veen uit de jaren dertig van vorige eeuw toonden aan dat de dijken inderdaad veel te laag waren. In 1939 werd Johan Ringers, een waterstaatkundig ingenieur, directeur generaal van Rijkswaterstaat. Hij stelde een stormvloedcommissie in. In een voorlopig rapport van Van Veen uit 1940 rapporteerde deze commissie dat de dijken inderdaad onvoldoende hoog waren. Maar omdat dijkverhoging op veel plaatsen niet mogelijk was, werd door Van Veen en de Studiedienst gewerkt aan plannen om enkele Zuid-Hollandse eilanden door dammen met elkaar te verbinden.

De Ingenieur was niet vies van de publicaties van Van Veen

Verlandingsplan

In 1942 had Van Veen een ambitieus plan bedacht, dat gepubliceerd werd als het ‘Verlandingsplan’. Zijn bedoeling was  om de gehele kustlijn van Zeeuws-Vlaanderen tot Vlieland weer gesloten te maken. Hij wilde daarmee de kust weer terug brengen tot de oorspronkelijk situatie zoals die was tot het jaar 880. Dit proces moest op geheel natuurlijke wijze plaatsvinden, door verzanding.

Van Veen verwachtte dat dit alles bij elkaar circa twee eeuwen zou duren. Hij kreeg hiervoor bepaald niet de handen op elkaar. In december 1946 presenteerde hij zijn plan opnieuw, op de dag dat de Nederlandse Vereniging voor Landaanwinning werd opgericht. Uiteindelijk zijn bepaalde elementen hiervan toch gerealiseerd in de vorm van het Deltaplan.

Dit desolaat landschap had voorkomen kunnen worden

Dijken zijn te laag

In 1946 concludeerde de Stormvloedcommissie – waarvan Van Veen inmiddels secretaris was – dat alle dijken in Zuidwest-Nederland te laag waren. In 1950 werd daarom eindelijk begonnen met de afdichting van de Brielse Maas. Begin december 1952 vroeg Jacob Algera, minister van Waterstaat, de Studiedienst onderzoek te doen naar de afsluiting van de zeearmen Haringvliet, Grevelingen en Oosterschelde. Het rapport ‘De afsluitingsplannen der Tussenwateren’ werd op 29 januari 1953 gepresenteerd. Drie dagen later, op 1 februari 1953, trof de Watersnoodramp Zeeland, Zuid-Holland en Noord-Brabant die deze gebieden onder water zette en elders voor uiterst kritieke situaties zorgde.

Het rampgebied

Cassandra kreeg haar gelijk ondanks zijn voortdurende voorspellingen. Hij mopperde vaak dat zijn leven nutteloos was omdat zijn plannen slechts werden gezien als ‘research’. Toen hij in de fatale nacht van de Ramp bij Ouderkerk aan de IJsel hielp het water te beteugelen riep hij woedend: “ ’t is verschrikkelijk, maar mijn plannen komen uit de kast. Je zult het zien”.

Vlak na de Ramp werd de Deltacommissie opgericht. Van Veen werd aangesteld als secretaris. De Westerschelde en de Nieuwe Waterweg werden uiteindelijk niet meegenomen in de plannen om de havens van Rotterdam en Antwerpen te ontzien.

Van Veen presenteert zijn Deltaplan

Hoofdingenieur-Directeur

Van Veen was een scherpzinnig ingenieur die zich bezig hield met waterstromingen en zandverplaatsingen langs de kust. Naast het Deltaplan was hij ook de bedenker van Europoort en de Eemshaven. In 1955 werd hij benoemd tot hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat. Een functie die hij bekleedde tot aan zijn persimoen in 1958.

Overlijden

Een jaar na zijn pensionering, op 9 december 1959 overleed Van Veen. In de trein was hij op weg naar een vergadering over de aanleg van de Eemshaven. Hier werd hij getroffen door een vierde hartaanval die hem fataal zou worden. Hij zou de uitvoering van zijn plannen niet meer beleven.

Overlijdensbericht in de Telegraaf

Te weinig waardering

Van Veens waarschuwingen en ideeën werden jarenlang genegeerd. Hij is bij het grote publiek dan ook te weinig bekend. Als er gesproken wordt over grote waterbouwkundigen valt meteen de naam Lely en de afsluiting van de Zuiderzee. Toch is het niet zo dat zijn prestaties minder werden gewaardeerd.

Van Veen en was en bleef een stugge Groninger Over hem werd in 1967 geschreven: “… hij was een eigenwijs en tegendraads mannetje die zijn hele leven wist dat hij slimmer was dan anderen. Zijn bazen bij Rijkswaterstaat keken de andere kant op als hij weer met een alarmerend rapport kwam”.

Thijsse erkent zijn ongelijk

Zijn oude rivaal Prof. Thijsse, voormalig directeur van het waterloopkundig laboratorium in Delft verklaarde na het overlijden van Van Veen dat; “Mensen zoals Van Veen al in de dertiger jaren hadden gepleit voor afsluiting van de Zeeuwse gaten. In 1945 waren we er van overtuigd dat de dijken moesten worden verbeterd en verhoogd. Maar we wisten toen al dat we in die moeilijke naoorlogse jaren voor deze miljarden verslindende investeringen van de regering geen prioriteit zouden krijgen”.

Uitvindingen

Van Veen was naast wetenschapper ook practicus. Hij ontwikkelde tal van nieuwigheden.

Rond 1930 maakte jij de Van Veengrijper. Dit was een speciaal apparaat om bodemmonsters te kunnen nemen.

Ook is hij de uitvinder van het zogenaamde ‘bellenscherm’. Een uit luchtbellen bestaand scherm dat in een schutsluis kan worden aangebracht om te voorkomen dat water met een verschillend zoutgehalte  aan beide zijden van de sluis –  zoet water en zout water – zich al te veel vermengt.

Deltar

Ook werkte Van Veen in die periode al aan een model om getijstromen te vergelijken met elektrische stromen. Zijn methode lokte veel kritiek uit; vooral aan de betrouwbaarheid ervan werd – achteraf ten onrechte – jarenlang getwijfeld. Andere medewerkers van de Studiedienst voor de Benedenrivieren van Rijkswaterstaat ontwikkelden wiskundige modellen voor het berekenen van getijstromen, uitgaande van de methode van de natuurkundige H.A. Lorentz  voor de afsluiting van de Zuiderzee.

De Deltar, 27 januari 1972. Foto Henri Cormont – Beeldbank VenW.nl, Rijkswaterstaat, Publiek domein Wiki

 

Ondanks alle kritiek werkte Van Veen verder aan zijn ‘elektrische methode’, die hij in het artikel ‘Getijstroomberekening met behulp van wetten analoog aan die van Ohm en Kirchoff’ in ‘De Ingenieur’ werden beschreven als een ‘eenvoudige ingenieursmethode’ met een ‘betrekkelijk grote mate van nauwkeurigheid’, in tegenstelling tot de wiskundige methode die veel en ingewikkeld rekenwerk vereiste. De methode van hen werd niet door anderen overgenomen.

Tijdens de voorbereidende studies voor de waterstaatkundige plannen in het Deltagebied werd vanaf 1940 in toenemende mate de behoefte gevoeld aan een rekenapparaat, waarmee men snel de getijbeweging en de gevolgen hierop door bijvoorbeeld afdamming zou kunnen berekenen. In die periode werden veel van deze berekeningen uitgevoerd door de Studiedienst voor de Benedenrivieren van Rijkswaterstaat (in 1956 opgenomen in de Deltadienst), waarbij een getijberekening voor één rivier al snel een aantal maanden rekenwerk vereiste. Van Veens inspanningen leidden in eerste instantie tot de bouw van het Elektrisch model van Waterlopen. Dit model werd in 1954 in gebruik genomen en deed dienst tot 1961.

Onthulling van het standbeeld van Johan van Veen in Capelle door dochter Marian van Veen

Herinnering

Op 20 september 2020 is in Capelle aan den IJsel een buste van Van Veen geplaatst als eerbetoon voor de man en zijn werk. De onthulling werd mede verricht door zijn dochter Marian.

Hier en daar is er een straat of een pleintje naar hem vernoemd, maar in zijn algemeenheid kunnen we zeggen dat ook na zijn dood niet voldoende recht is gedaan aan dit genie.

In het Watersnoodmuseum in Ouwerkerk is, als eerbetoon het grote auditorium naar Johan van Veen genoemd.

Beelden van de onthulling en het commentaar van zijn dochter kunt u terugkijken in dit filmpje van Omroep Rijnmond.