Rond 1200 telde het eiland Wolphaartsdijk drie ambachten. In het westen dat van Westkerke, centraal dat van Oud-Sabbinge en in het oosten dat van Hongersdijk met Oostkerke. Op Sint-Catharinadag, 25 november 1377, kwam een groot deel van Westkerke onder water te staan. Ondanks inpoldering ging bij de stormvloed van 1377 weer veel verloren. Eerder, bij de Sint-Clemensvloed van 1334, waren al grote stukken van Hongersdijk en Oostkerke verloren gegaan. De volgende eeuwen werd steeds meer herbedijkt en werden polders hersteld. Ook nieuwe polders werden ingedijkt en het eiland Wolphaartsdijk groeide.

Het eiland Wolphaartsdijk, uitsnede uit een kaart van Hattinga uit 1753

In de 16de eeuw kreeg het gebied opnieuw veel te verduren. De Hongersdijkse polder ging verloren na stormen in 1530, 1532 en ten slotte de Sint-Pontiaansvloed in 1552. Een belangrijke oorzaak was slecht onderhoud vanwege armoede. Ook de Allerheiligenvloed van 1570 zorgde voor vernieling; de Westkerke- en de Westerlandpolder verdwenen tot 1665 in delen in zee.

Beleg van Goes

In diezelfde eeuw woedde in de lage landen de Tachtigjarige Oorlog in alle hevigheid. Het Beleg van Goes, een slag tijdens die oorlog, vond in twee termijnen plaats op 20 en 21 oktober en van 27 tot 30 oktober 1572. De Nederlandse Geuzen werden geleid door Jerome Tseraert die het westelijk deel van Zeeland wilde ontzetten. Dat deel van de provincie was nog in handen van de Spaansgezinden onder bevel van Christobal de Mondragon.

Cristóbal de Mondragón

Cristóbal de Mondragón

Voorafgaand aan het Beleg van Goes in 1572 vernielden de geuzen bovendien de kerken van Oud-Sabbinge en Wolphaartsdijk.

Spaanse troepen steken het water over in Zeeland

Spaanse troepen steken het water over in Zeeland

Rustiger periode

In de 17de en 18de eeuw werd het eindelijk rustiger. De breedte van de Schenge, die het eiland van Zuid-Beveland scheidde, werd steeds geringer.

De Schenge is een voormalig vaarwater tussen het eiland Wolphaartsdijk en Zuid-Beveland. Het vormde in die tijd de verbinding tussen het Sloe en het Veerse Gat aan de westkant en de Oosterschelde in het oosten. De Schenge was belangrijk als ontsluiting van de stad Goes. Door verzanding in de 18de eeuw werd het vaarwater steeds ondieper. Het gebied verloederde en schreeuwde om ingrijpen.

Negentiende eeuw

In het begin van de 19de eeuw stond Wolphaartsdijk onder Franse overheersing. De kerk moest haar archieven afgeven en werd in beslag genomen. De Fransen brachten ons land, dat economisch behoorlijk op haar retour was, veel nuttige staatskundige veranderingen. Maar de Franse overheersing had ook een schaduwzijde. Napoleon kreeg heel Europa in zijn greep. Engeland bleef echter onbereikbaar voor hem. Frankrijk blokkeerde daarom de handel met Engeland volledig. Voor ons land was dat de doodsteek voor de handel.

Een andere ramp voltrok zich in Rotterdam. De haven verzandde en scheepvaartverkeer liep zienderogen terug. Er ontstond voedselschaarste en de prijzen van graan stegen tot ongekende hoogte. Datzelfde gold voor de grondprijzen. Een aantal rijke Rotterdammers zat met de handen in het haar. Ze beschikten over behoorlijk kapitaal, maar door de boycot van Engeland waren hun investeringen stil gevallen.

 

Gezicht op Rotterdam met stil liggende schepen aan de Maas

Armoede in Rotterdam

Armoede in Rotterdam

 

Geboorte Rijkswaterstaat

Lodewijk Napoleon, een broer van Napoleon Bonaparte, in die periode aangesteld als koning van Nederland, was bezig Nederland een economische boost te geven. De vaststelling van Chistiaan Bruning’s ‘Plan tot beheeringhe van de Waterstaat in de Bataafse Republiek’ op 24 mei 1798 wordt beschouwd als de geboorte van de Rijkswaterstaat. In de beginperiode volgden reorganisaties elkaar snel op; het begrip Waterstaat blijft steeds in de naamgeving terugkomen.

Christiaan Brunings (1736-1805)

Christiaan Brunings (1736-1805)

Het Bureau van de Waterstaat is vanaf 1798 de centrale organisatie. Het was een klein coördinerend departement dat zwaar leunde op de uitvoerende ingenieurs, die nog vaak samenwerken met militaire ingenieurs. Waterstaat was in de 18e eeuw als begrip gevestigd als de toestand (staat) van het water; dat wil zeggen het beschreef de situatie in een gebied met betrekking tot de aanwezigheid van dijken, afwateringseenheden, molens en vestingwerken. Vanaf 1807 is de hoogste leiding van de organisatie een inspecteur-generaal van de Waterstaat.

Op voorstel van de Waterstaat besloot de koning over te gaan tot indijken van buitendijkse gebieden rondom Goes. Maar voor de eventuele kopers was er wel de verplichting dat zij een sluis en een kanaal naar Goes zouden aanleggen. De stad Goes kreeg de verplichting een bedrag van 100.000 gulden bij te dragen in de kosten. Na de voltooiing zou de stad de kosten voor het onderhoud voor haar rekening nemen.

 

 

 

 

 

 

100.000 van deze guldens

100.000 van deze guldens

Rotterdamse beleggers

In juli 1809 bezochten een aantal rijke Rotterdammers deze gronden die te koop werden aangeboden. Zij waren verbaasd  daar een weelderig landschap aan te treffen. Zij hadden gedacht dorre en zanderige vlaktes aan te vinden waar water en wind vrij spel hadden. Maar dat viel ontzettend mee. Zij werden geconfronteerd met vruchtbare grond waar zelfs herders met hun kuddes rondzwierven.

Een aantal van hen, waaronder houthandelaar Abraham van Stolk en wijnhandelaar Willem Baartz, waren drie maanden eerder, samen met notaris Jacobus Nozeman naar het Amsterdamse Oude-Zijds Heerenlogement aan de Grimbergwal getrokken. Dit huis stond ook wel bekend als Lokaal voor Publieke Verkoopingen. Zij vertegenwoordigden een klinkende lijst met namen uit de hogere Rotterdamse burgerij. Op 13 april kochten zij, namens 23 mannen en één vrouw de schorren rond Goes. Ook waren er enkele particulieren die grond wilden verkopen. Die grond werd onderhands aangekocht.  Het aangekochte land werd verdeeld in 37 portiën. Gezamenlijk vormden zij een onderneming die zij als sociëteit lieten inschrijven. De onderneming werd opgesplitst in 37 aandelen verdeeld over 24  aandeelhouders. Zij noemden zich de geïnteresseerden.

Lijst van geïnteresseerden

Lijst van geïnteresseerden

Aan het einde van de veilingdag waren de Rotterdammers voor een bedrag van 650.000 gulden eigenaar van een onbedijkt schorrengebied met een oppervlakte van ca. 3.300 gemeten (ongeveer 1.400 hectare) met behoorlijk wat verplichtingen aan de stad Goes.

De reden voor de aankoop waren het gebrek aan handel en hun liggende geld werd puur speculatief gebruikt.

Jan Blanken

De Rotterdammers hadden zich goed voorbereid en eerder contact, voor advies, opgenomen met Jan Blanken. Dit was de zoon van de timmerman Jan Theunisz Blanken en Niesje Ariensdr Blieck. Jan trad in de voetsporen van zijn vader, die waterbouwkundige was. Blanken sr. was belast met het ontwerpen en bouwen van molens, sluizen en dijken in de Krimpenerwaard. De jonge Jan Blanken vergaarde bij zijn vader de praktische kennis voor het ontwerpen, verbeteren en beheren van waterstaatkundige objecten.

Het eerste grote project voor Blanken jr. was het droogdok in Hellevoetsluis, waarvan de bouw in 1798 startte. Bijzonder hierbij was dat een stoommachine deel uit maakte van het ontwerp. Dat was een van de eerste stoommachines in Nederland. In 1808 ontwierp Blanken ook een nieuw soort sluisdeur, de waaiersluis. Met betrekking tot de aanleg van militaire maritieme zaken adviseerde hij onder meer Napoleon Bonaparte, in dat verband was hij verantwoordelijk voor de totstandkoming van de Rijkswerf Willemsoord te Den Helder. In 1808 werd Blanken, ten tijde van het (Franse) Koninkrijk Holland Inspecteur-Generaal bij Waterstaat.

Jan Blanken in 1825 door Jean Augustin Daiwaille

Jan Blanken in 1825 door Jean Augustin Daiwaille

Eten van meerdere walletjes

Blanken was niet vies van wat extra geld. Hoewel hij officieel in dienst was van de staat, werd hij ook adviseur van de kopers van de gronden in Zeeland. Niemand kon wijs worden uit de gekrabbelde aantekeningen van Blanken, maar men vertrouwde blindelings op de ervaring van de beroemde waterbouwkundige. Hij stelde dat het niet zo’n grote klus zou zijn om het gebied te bedijken. Voor ongeveer een half miljoen gulden zou hij een dijk aan kunnen leggen, het kanaal zou gegraven kunnen worden en een sluis gebouwd. Volgens Blanken zou de investering makkelijk kunnen worden terugverdiend. Hij adviseerde de grond een paar jaar voordelig te gebruiken als vruchtbare grond en daarna te verkopen als goede landbouwgrond. In de plannen van Blanken werd rekening gehouden met een beloning aan derden in natura. Eén elfde deel van het gebied werd hiervoor gereserveerd. Ook Jan Blanken werd in grond betaald. Hierdoor werd de Inspecteur-Generaal van de Waterstaat adviseur van de verkoper (de staat), adviseur van de kopers en ondernemer. Hij speelde dus eigenlijk een driedubbele rol.

Verdronken land van Saeftinge

Verdronken land van Saeftinge

 

 

 

 

Om buiten schot te blijven schoof hij zijn broer Teunis naar voren. Deze kreeg als geïnteresseerde 2/37 portie en werd aangesteld als uitvoerder van de werkzaamheden.

Het vertrouwen van de leden van de onderneming in Blanken was zo groot dat zij het gevraagde bedrag voor de uitvoering van de plannen verdubbelden en een miljoen gulden aan Blanken beschikbaar stelden. De zaken werden door Blanken voortvarend aangepakt.

In 1809 was de Wilhelminapolder die toen nog Polder Louis XIV heette ingepolderd; Wolphaartsdijk werd zo aan het “vasteland” van Zuid-Beveland vastgemaakt. De Schenge, die bijna helemaal was verzand, werd in 1874 met een dijk afgesloten.

Willem Suermondt -1740-1828

Willem Suermondt -1740-1828

Ouwe jongens – Krentenbrood

De geïnteresseerden bleken tot een typisch Rotterdams ‘old boys netwerk’ te behoren. Zij kwamen uit families die met zakelijke belangen in elkaars bedrijven, via ‘handeltjes’ en door huwelijken met elkaar waren verbonden.

De belangrijkste aandeelhouder was, met vier aandelen, ongetwijfeld Willem Suermondt. Hij bekleedde tal van bestuurlijke functies en beschikte over een groot netwerk. Gedurende de bezettingstijd door de Fransen was hij zelfs burgemeester van Rotterdam.

De grondleggers van de Wilhelminapolder streefden goede betrekkingen na met de autoriteiten. Daarbij maakte het hen niet uit of het de Fransen, de Oranjes, ministers of ambtenaren betrof. Alles was goed, zolang de zaken maar floreerden. Suermondt zorgde voor de contacten.

Men ging, nadat men alles goed geregeld had, dacht men, aan de slag. Teunis Blanken werd aangesteld om de werkzaamheden uit te voeren. Jacobus Bosdijk werd in Zeeland gestationeerd om de werkzaamheden en de financiën te controleren.

Vrouwen aan het werk op de schorren

Vrouwen aan het werk op de schorren

 

Belangrijke economische impuls

Het werk aan de polder en de enorme investering die hier mee samenging, waren een belangrijke impuls voor de lokale Zeeuwse economie. Vooral de lokale arbeiders profiteerden hiervan. Maar de werkomstandigheden waren zwaar. Het verzetten van de grond gebeurde met schop en slee. In het beste geval was er de beschikking over kruiwagens of paard en kar. De huisvesting voor de dijkwerkers was abominabel. Er waren ruim 1.500 mannen nodig om het werk uit te voeren. Deze konden na het werk niet even terug naar huis, ze bivakkeerden in plaggen of houten hutten.

Dijkwerker

Dijkwerker

De dijkwerkers stroomden van heinde en verre op werk af. Velen waren afkomstig uit Vlaanderen en Brabant. Ruw en grof volk. Boeren waarschuwden elkaar voor deze invasie van armoelijders.

Er waren vaak ruzies en vechtpartijen met de plaatselijke bevolking en het was bijna onmogelijk om enige orde te handhaven. Maar plotseling leek het tij te keren.

Inval van de Engelsen

Op 30 juli 1809 landde een Engels expeditieleger op Walcheren. Dit bestond uit 40.000 soldaten en duizenden paarden. De Engelsen hadden zich ten doel gesteld om de haven van Antwerpen te veroveren. Daarmee wilden ze de Franse economische blokkade doorbreken en de controle over de Westerschelde in handen krijgen.

De Engelse aanval op Vlissingen - 1809 A. Lutz,. (Zeeuws Archief)

De Engelse aanval op Vlissingen – 1809 A. Lutz,. (Zeeuws Archief)

 

 

Aanvankelijk zagen de geïnteresseerden hier geen kwaad in, ze hoopten zelfs dat hierdoor de handel met Engeland weer op gang zou komen. Maar al snel beseften zij dat de inval van de Engelsen hun onderneming in Zeeland hard kon raken. Goes kwam in Engelse handen en Hollandse schepen werd terug getrokken uit de Zeeuwse wateren. Het transport van mensen en materieel, nodig voor de werken, kwam stil te liggen.

De ellende die de Engelsen aanrichten was dramatisch. Dijkwerkers gingen aan de haal en verhuurden zich tegen een betere betaling aan de Engelsen of de Fransen om versterkingen aan te leggen. Maar erger nog; de pas aangelegde dijken bleken een goede, snelle transportweg te zijn voor het leger. Meer dan vijftigduizend soldaten, voorzien van munitie, proviand, alles met paard en kar, verwoestten de dijken tijdens de mars van Goes naar het oosten.

Het verantwoordelijke duo Teunis Blanken en Jacobus Bosdijk incasseerden de ene na de andere tegenslag. Door de autoriteiten werden ze verplicht de dijken zo snel mogelijk te herstellen en te verstevigen. Ook kregen ze de opdracht de dijkwerkers hogere lonen te betalen om te voorkomen dat ze opnieuw voor de Engelsen zouden gaan werken.

De Engelsen druipen af

De inkomsten uit de verpachting van de weiden, de andere kant van de medaille, liepen sterk terug. Boeren durfden hun vee niet langer in de vruchtbare weiden te laten grazen, bang dat ze waren dat de militairen de tijdens hun verblijf zouden slachten.

Betere tijden

De oorlog was gelukkig van korte duur. De lot hielp daarbij een handje. Tienduizenden soldaten werden ziek en kregen de zogenoemde Zeeuwse koorts, een soort van moeraskoorts. De Zeeuwen zelf waren in de loop der eeuwen ongevoelig geworden voor deze ziekte. Tien procent van het leger ging er aan onderdoor. De soldaten stierven bij duizenden. In september, amper drie maanden na de invasie, trokken de Engelsen zich al terug uit Zuid-Beveland. Maar de schade die was aangericht bedroeg 50.000 gulden.

Boze Napoleon

Napoleon Bonaparte was woedend over de gebeurtenissen in de Nederlanden. Hij verdreef Lodewijk van de troon. Zeeland werd als eerste geannexeerd en in 1810 viel heel ons land onder Frankrijk. Het beetje sluikverkeer dat nog werd bedreven met Engeland werd keihard aangepakt. Het vrije verkeer van goederen binnen het Franse Rijk bleek niet te bestaan en tot overmaat van ramp verdween de gulden ten koste van de Franse franc. Daardoor verloor de gulden aan waarde en het restant van het te betalen bedrag voor de schorren werd aanzienlijk hoger.

Louis Bonaparte koning van Holland

Louis Bonaparte koning van Holland

 

Door die tegenslagen begon het aanvankelijke optimisme van de geïnteresseerden snel te verdampen. Ze begonnen te beseffen dat snelle verkoop van de grond onbereikbaar was geworden. Ook begonnen, nu men verder na ging denken, bepaalde dingen opvallen. Er waren gronden die binnen de indijking vielen maar geen eigendom waren van de geïnteresseerden. Hierover begon een juridisch getouwtrek dat jaren aansleepte maar de eigenaren van die gronden trokken uiteindelijk aan het kortste eind.

Uithuilen en opnieuw beginnen

De Oost-Bevelandpolder werd in 1812 aangekocht. Dit was nodig om de veiligheid van de indijking te garanderen. Ook werd in dat jaar een dijkbestuur geïnstalleerd. Uitvoerder en geïnteresseerde Bosdijk werd aangesteld als dijkgraaf. Er werd een belangrijke beslissing genomen. Men nam zich voor in de polder te blijven en er het beste van te maken.

Koolzaad - Foto Vincent van Zeijst - commons.wikimedia.

Koolzaad – Foto Vincent van Zeijst – commons.wikimedia.

De geïnteresseerden hadden nu wel alles wat tegenslag betekende meegemaakt. Wisselingen van regimes, de muntwisseling, de invasie van de Engelsen, de economische boycot, administratief gedoe, een adviseur die nauwelijks betrouwbaar bleek, natuurrampen en tot overmaat van ramp brak er een landbouwcrisis uit.

De sluis was nog niet af, maar de polder was min of meer gereed voor gebruik. Productierijp was een ander woord. Er moest nog een afwateringsysteem worden aangelegd en de grond was nog te zout om er gewassen op te verbouwen. Uitvoerder Teunis Blanken liet de boel de boel en Bosdijk kreeg het alleen voor het zeggen.

Voor de boeren was het hard labeur

Voor de boeren was het hard labeur

Er was in deze crisistijd een groot aanbod aan arbeidskrachten. Met dit overaanbod aan werkers werden de zaken voortvarend aangepakt. Er werden greppels gegraven en met de vrijgekomen grond werden de kreken gedempt.

Beschuit met muisjes

Door de geïnteresseerden werd na het bouwrijp maken van de grond koolzaad eb vlas in te zaaien. Daarvoor riep men hulp in van ‘vader’ van Leerdam, een boer met gezond verstand uit de Oost-Bevelandpolder. Samen met hem werd de agrarische onderneming opgestart. Men wilde de eerste opbrengst rechtstreeks vanaf de akkers verkopen om de investering te drukken.

Logo van de maatschap

Logo van de maatschap

In augustus 1810 werden honderden hectaren grond geploegd, geëgd en ingezaaid. Na een tegenvallende verkoop werd in 1812 besloten alle gewassen voor eigen rekening te zaaien en te oogsten. Hiermee werd door de geïnteresseerden een definitieve beslissing genomen. Zij gingen boeren. Koninklijke Maatschap tussen Eigenaren van Gronden in de Wilhelminapolder en de Oost-Bevelandpolder was geboren.

 

 

Bronnen: 200 jaar Wilhelminapolder – Dhr. A. de Vos

                Koninklijke Maatschap de Wilhelminapolder

               Wikipedia

Met speciale dank aan Dhr. V.M. Coolbergen – Directeur Wilhelminapolder