Bij veel verschillende klederdrachten in Nederland komen we een merkwaardig deel van de dracht tegen. Losse ondermouwen. De varianten hebben tal van namen. Armwarmers, polsmoffen, armmoffen, armwanten of mitaines. Bij de ene dracht worden ze gedragen als bescherming tegen de koude. Op andere plaatsen als lichaamsbedekking. Ze kunnen op verschillende manieren worden uitgevoerd. In Spakenburg bijvoorbeeld worden ze altijd in grijze wol gebreid.

In Zeeland hebben de armstukken wel een heel bijzondere naam. Labedissen.

In Spakenburg komen ‘s winters de armstukken uit de kast

 

Labedissen

Het is een wat bijzondere naam, maar de verklaring is eenvoudig. De naam is afgeleid van de naam van de Fransman Jean de Labadie.

De Labadie werd in 1610 in Bourg geboren. Op zijn 15de trad hij al in, in de orde van de Jezuïeten. Al gauw zorgde hij voor grote conflicten, waarop hij besloot als seculier priester verder door het leven te gaan. Daarbij ontmoette hij tal van mensen die een andere uitleg aan het geloof gaven. Hij las de Bijbel veel met leken en begon door intensieve studie van de Bijbel sterk Calvinistische ideeën te ontwikkelen.

In 1650 brak De Labadie met de katholieke kerk en werd gereformeerd. Hij zwierf door Europa en via Zwitserland en België bouwde hij een behoorlijke reputatie op als iemand die totale vernieuwing van de kerkleer wilde.

Jean de Labadie (1610-1674)

 

Op voorspraak van enkele leiders van de Nadere Reformatie in Utrecht werd De Labadie naar Nederland gehaald. Een groot succes was dat niet. Vanwege zijn gebrek aan kennis van de Nederlandse taal was het moeilijk voor hem contact te maken met zijn nieuwe parochianen.

 

Uiteindelijk werd De Labadie predikant  van de Waalse gemeente in Middelburg. Door zijn uitgesproken mening en strenge opvattingen sloot hij het grootste deel van de gemeenteleden uit van de sacramenten. Daardoor vervreemde hij al snel van de Waalse gemeente. In 1669 werd hij door de Waalse Synode uit zijn functie gezet. Door zijn felle compromisloze houding, verloor hij ook de steun van de Nederlandse predikanten.

Een van de opvattingen van De Labadie was dat iedere vorm van bloot in de kerk verboden moest zijn. Zo was hij een fel tegenstander van de blote armen van de boerinnen die zijn kerk bezochten .Hij bedacht dat zij voortaan kuise zwartwollen armbedekking moesten dragen. Deze werden al gauw Labedissen genoemd.

Toch kunnen we ons hier vragen bij stellen. Een verhaal, hoe aardig en aannemelijk het ook mag klinken, wordt als ‘dé waarheid’ voorgesteld. Maar dit verhaal roept ook tal van vragen op.

Voorbeelden uit het verleden

Armwarmers als kledingstuk komen we door de eeuwen heen tegen als deel van vrouwen- en kinderkleding. Daar zijn tal van voorbeelden van bewaard gebleven en ze omen op schilderijen regelmatig voor.

‘Labedissen’ in de Franse mode

 

Losse mouwen werden van stof of leer vervaardigd, of gebreid van wol of zijde. Dit alles was sterk afhankelijk van mode en welstand. De naam die het meest werd gebruikt was de uit het Frans afkomstige ‘mitaines’.

 

De meest voorkomende vorm van labedissen

 

 

 

 

Mitaines

De mitaines, zijn dus lange, vingerloze handschoenen die gemaakt zijn van leer, stof, gebreid of gehaakt. Soms zijn ze recht aan de onderkant, maar ook wel met een puntje op de hand. Sommigen hebben ze een kort aangebreid duimpje, maar ook komen ze voor afgewerkt met kant.

 

Ze werden voornamelijk gedragen als bescherming tegen koude en zon en als mode item. En uiteraard als armbedekking voor kerkgangers.

Er zijn prachtige, verfijnde exemplaren van labedissen bewaard gebleven. Vooral de labedissen van Lena Bliek uit Nieuwland zijn uniek.

Lena Bliek 

Toen koningin Emma samen met prinses Wilhelmina in 1894 een bezoek bracht aan Middelburg was Lena vijftien jaar oud. Ze droeg bij dat bezoek het kostuum van haar grootmoeder. De kleding stamde uit het einde van de 18de eeuw en wordt nog steeds bewaard in het Zeeuws Museum.

 

Werkvrouw met labedissen

 

 

 

Even terug

We gaan nu een flinke stap terug in de tijd. Toen dominee De Labadie in Middelburg zijn kerk bestierde was Frans de taal van de elite in Zeeland. Zijn preken waren dan ook voornamelijk voor notabelen en vrome rijken en in het Frans. We kunnen ons dan ook nauwelijks voorstellen dat arme boerinnen en vissersvrouwen uit omringende dorpen zijn diensten bezochten.

Al na drie jaar werd De Labadie door de Waalse Synode afgezet en Middelburg uitgezet. Grote invloed zal deze predikant dan ook niet hebben gehad op het gedrag van arme Zeeuwse boerinnen en vissersvrouwen.

Maar wat dan wel? Hoe kan het dat de naam van De Labadie zo onlosmakelijk verbonden is aan een Zeeuws kledingstuk?

Commune van Labadisten

Nadat hem werd verzocht te vertrekken uit Middelburg, reisde hij, met een aantal onvoorwaardelijke aanhangers via Veere naar Amsterdam. Vandaar trok zijn ‘congregatie’ verder naar Friesland.

Zijn volgelingen, die zich ‘Labadisten’ noemden, waren voornamelijk zeer vrome dames, met een goede achtergrond. Zij richtten een streng christelijke commune op in het kleine dorpje Wieuwerd. Daar gingen ze leven naar de voorschriften van De Labadie. In grote soberheid en zoveel als mogelijk zelfvoorzienend. Ze leefden voornamelijk van akkerbouw en veeteelt.

Hun schapen leverden goede wol, die al snel Labadistenwol werd genoemd. Deze wol werd bij de verwerking minder getwijnd dan in die tijd gebruikelijk was. Daardoor ontstond een soort woldraad die nauwelijks kromp.

Loden jas, met dank aan labadistenwol

Jarenlang was Labadistenwol dan ook een gewild product. Van de stoffen uit deze wol werden tal van producten gemaakt. Toen onder andere, op verzoek van Jodocus van Lodenstein, ‘de Dichter van de Nadere Reformatie’ een lange jas van deze stof werd vervaardigd, ontstond de ‘Loden jas’ zoals we die nu nog kennen en dragen.

Labadistenwol

En dan nu de Labedissen. De Labadie stierf in 1674. Zijn Labadisten-commune hield bleef nog bestaan tot 1725 om daarna in de vergetelheid te verdwijnen. Maar de kwaliteitswol werd niet vergeten en in heel Nederland nog graag door boerinnen, werk- en ambachtsvrouwen gebruikt. De prijs van labadistenwol was aantrekkelijk en door de goede kwaliteit van de wol ging het breiwerk lang mee. Ook in Zeeland was labadistenwol tot  aan het eind van de 19de eeuw een graag gebruikte breiwol onder boerinnen en vissersvrouwen. De armstukken, labedissen, die zij maakten hadden uiteindelijk maar één doel: warmte en behaaglijkheid bieden.

We kunnen daarom met bijna absolute zekerheid concluderen dat de naam labedissen gegeven aan de Zeeuwse armwarmers, zij het dan indirect, is afgeleid van de voormalige dominee. Niet omdat hij vrouwen verbood om met blote armen in zijn kerk te verschijnen. Wel is de wolsoort die zijn naam kreeg, de aanleiding is voor de naamgeving.