Op 14 april 1970 stuurde schipper Klaas Bout zijn TH 6 (Johanna Cornelia) de haven van Colijnsplaat uit. Hoewel afkomstig uit Tholen was zijn vaste ligplaats in dit dorp op Noord-Beveland. Met zijn bemanning hoopte hij op een goede vangst. Maar het lot zou anders beslissen.

Bemanning TH 6

Bemanning TH 6

Vangst van Steen

Groot was namelijk de verbazing toen zij enkele uren later de netten binnen haalden. Naast de gebruikelijke buit bevonden zich vier grote, platte stenen in de netten. Aanvankelijk werd erover nagedacht om de stenen terug in zee te gooien. Maar het viel de broer van de schipper, Sjaak Bout, op dat er een soort van inscripties in de stenen te zien waren. Met zijn mes begon hij de groeven schoon te krassen tot er een min of meer leesbare tekst bloot kwam. Na kort beraad werd besloten de stenen aan wal te brengen en ze daar te laten beoordelen. Dat was een uitstekend idee. Na grondige bestudering van de stenen werd gesproken over “de Vondst van het jaar” door de Provinciale Zeeuwse Courant. Later zou blijken dat het “de Vondst van de Eeuw” is.

 

 

de TH 6 Johanna Cornelia

de TH 6 Johanna Cornelia

Altaarstenen

De stenen, die bijna overboord waren gegooid, bleken altaarstukken te zijn van Nehalennia. Zij was een inheemse godin die in de periode rond jaar 200 werd vereerd. Met name in het huidige Domburg en Colijnsplaat werden tempels voor haar opgericht.

Over haar naam was niets bekend en werd nergens vermeld in de Latijnse literatuur. Ook de namen waar aan haar gewijde tempels waren opgericht, komen niet voor in oude documentatie. Alleen de altaarstukken die werden gevonden in 1970 in de Oosterschelde bij Colijnsplaat en al eerder, op 5 januari 1647 bij Domburg tonen aan dat ze heeft bestaan.

 

Wie was Nehalennia?

Over de naam bestond lange tijd verwarring. Er kwamen in de inscripties in de stenen verschillende spellingsvormen voor: Nehalennia, Nehalenia, Nehalaennia. Vast staat dat deze naam stamt uit de tijd van voor de Romeinse bezetting van het gebied.

Hijsen aan de buit

Hijsen aan de buit

Peter Alexander Kerkhof meent het antwoord op de vraag te hebben gevonden. Hij is onlangs gepromoveerd op een proefschrift over het ontstaan van de Nederlandse en Franse taal. Volgens Kerkhof zijn deze talen ontstaan rond het jaar 200, in ieder geval in de periode dat Nehalennia werd vereerd. Kerkhof zou kunnen aantonen dat de naam uit samenstellingen van Keltische woorden is ontstaan. Samen zouden zij betekenen: “Zij die bij de zee is”. Haar “huilende hond” met zijn snoet omhoog, zou ook afgeleid zijn van woorden die in Wales, in de middeleeuwen gebruikelijk waren. Hij komt in ieder geval tot de vaststelling dat het gaat om een Keltische godin die aan de Keltisch sprekende kust van Nederland en België in de Romeinse tijd werd vereerd.

Situatiekaartje

Situatiekaartje

De Zeeuwse Delta

In de periode waarover we praten was Zeeland een delta waar een aantal van rivieren, de Schelde, de Rijn en de Maas, in uit kwamen. Vanuit Frankrijk, Duitsland en zelfs Zwitserland kwamen schepen naar hier. Alles wat de Noordzee over wilde steken, kwam via de Schelde delta. De zeehavens van Domburg en Colijnsplaat hadden een belangrijke plaats in het verkeer. Zij vormden de verbindingsplaatsen met Engeland.

De oversteek was hard en risicovol. De schepen die voor de tocht werden gebruikt, waren afgeleid van het type schip dat door de Romeinen werd gebruikt, de “Navis Actuaria”, een soort van roeiboot waarop eventueel een zeil geplaatst kon worden. Gewoonlijk werd het door 30 roeiers voortbewogen, 15 aan iedere kant. Het waren korte, smalle schepen met een bredere midscheeps. Met hun platte romp (platbodem) konden ze aan de grond lopen zonder het risico op beschadiging. De schepen konden worden gebruikt voor het vervoer van goederen maar ook van paarden.

Een Navis Actuaria kon een lengte hebben tot ca. 21 meter, en een breedte van ca. 6 ½ meter. Het schip had een diepgang van 80 tot 90 centimeter.

Navis Acturia

Navis Acturia

Zeeuwse havens

In de havens van Domburg en Colijnsplaat, waar de zeelieden vaak een langere stop maakten om proviand in te slaan of handelswaar te laden en te lossen, werden tempels gebouwd die gewijd waren aan Nehalennia. Na de Romeinse tijd raakten deze tempels in verval. Door afkalving van de kust, zandverstuivingen en de aangroei van duinen, verdwenen zij zelfs helemaal.

Eerste vondst

Vanaf 1647 kwamen op het strand bij Domburg ongeveer 40 altaren en beelden, maar ook bouwresten van een tempel boven water. Deze werden geborgen en, als ze te vervoeren waren, opgeslagen in de kerk van Domburg.

Na het vinden van deze resten, en onder invloed van afkalving van het land door de golven, verdwenen de restanten van de fundamenten opnieuw steeds verder onder water. Soms, bij heel laag water, waren ze nog even zichtbaar. Maar beschrijvingen van ooggetuigen over wat men zag, waren zo uiteenlopend dat men daar niet veel wijzer van werd. Wel werd over de vondsten een brief gepubliceerd.

De Domburgse brief

De Domburgse brief

1848 was een rampjaar voor de stenen van Nehalennia. De kerk in Domburg brandde geheel af. Een deel van de monumenten raakte zwaar beschadigd. Gelukkig was vlak voor de ramp door de conservator van het Rijksmuseum voor Oudheden, J.F. Janssen, in samenwerking met de predikant van Wolphaartsdijk, J. Utrecht Dresselhuis, een boek met goede afbeeldingen en beschrijvingen gepubliceerd. Wat uit de brand gered kon worden werd naar Middelburg gebracht.

Nieuw licht op de zaak

De onverwachte vondsten van schipper Bout in 1970 brachten meer duidelijkheid. Na het aan land brengen van de platte stenen werd het Rijksmuseum voor Oudheden in Leiden ingeschakeld. Onder leiding van Dr. P. Stuart werd een onderzoek gestart.

Zijn eerste bevindingen waren voor hem voldoende om als bewijs gezien te worden dat in Colijnsplaat, dat in die periode de naam Ganuenta droeg, naast Domburg, ook hier een Nehalennia tempel moet hebben bestaan. Zo schrijft hij ook in zijn eerste brief.

Verklaring Drs. Stuart

Verklaring Dr. Stuart

Aan de hand van zijn onderzoek raakte men overtuigd van de manier waarop tussen de derde en vierde eeuw de tempel moet zijn verdwenen. Afkalving van de kust. De tempel heeft waarschijnlijk op het toenmalige eiland  Orizant gestaan. Dit eiland is in de 17de eeuw geheel verdwenen in de Oosterschelde. De tempel zelf moet al omstreeks het jaar 300 door de zee zijn opgeslokt.

Tot in de middeleeuwen was de Oosterschelde een vrij kleine rivierarm. In de loop der eeuwen won de Oosterschelde echter steeds meer terrein op het land, waardoor het uitgroeide tot een brede zeearm. Door inpolderingen en het aanleggen van dijken heeft de Oosterschelde de laatste eeuwen haar huidige omvang gekregen.

situatie in de 3de eeuw

situatie in de 3de eeuw toen de tempel werd gebouwd

Een eeuw later toen de zee en de golven hun werk hadden gedaan

Een eeuw later toen de zee en de golven hun werk hadden gedaan

De resten en vindplaats van de tempel in 1970

De resten en vindplaats van de tempel in 1970

 

In de periode augustus en september 1970 en in februari 1971 ging Stuart bijna dagelijks met schipper Bout de Oosterschelde op. Op een diepte van 25 meter werd met sleepnetten de “Vuilbaard” zoals de geul werd genoemd, afgezocht. In de zomer van 1971 werd zelfs de hulp van duikers van de genietroepen van de landmacht ingeschakeld. Dat laatste was wel nodig. Regelmatig moest het zoekteam het werk stil leggen omdat ze nauwlettend in de gaten werden gehouden door amateurduikers die ook hun graantje mee wilden pikken.

Sjaak Bout, trots op een nieuw altaarstuk

Sjaak Bout, trots op een nieuw altaarstuk

Het uiteindelijke resultaat mocht er zijn 270 altaren en beelden werden boven water gebracht. 70 hiervan waren geheel of gedeeltelijk in bijzonder goede staat. Nu kon het echte werk beginnen. Het ontcijferen van de inscripties en de betekenis hiervan achterhalen.

Altaren

Altaar geschonken door Dacinus

Altaar geschonken door Dacinus

Onderzoek wees uit dat het in de meeste gevallen om altaren ging. Dit waren betrekkelijk platte sierstenen met een gemiddelde hoogte tussen een halve en een meter. Anderen waren uitgevoerd met een nis, waarin, in hoog reliëf, de beeltenis van Nehalennia was afgebeeld. Deze waren dikwijls voorzien van een schuin dak waaruit kon worden afgeleid dat deze stukken als miniatuur altaar aan de godin werden aangeboden.

Nehalennia werd in de regel zittend op een bank afgebeeld, op een enkele uitzondering na. Ze draagt nooit iets op haar hoofd en heur haar is voorzien van een scheiding in het midden. Haar kleding bestaat uit een lang gewaad. Daaroverheen is een kort manteltje gedrapeerd. In haar linkerhand zien we dikwijls een mandje met vruchten. Aan haar rechterkant bevindt zich een hond, het meest lijkend op een hazewindhond. Aan de andere kant staat een grote fruitmand. In enkele gevallen wordt ook een scheepsroer afgebeeld.

Symboliek

Men heeft naar verklaringen voor deze attributen gezocht. En men gaat er vanuit dat de hond de waakzaamheid en de trouw van Nehalennia voor haar vereerders verbeeld. De vruchten wijzen op vruchtbaarheid in algemene zin. Het roer zou wijzen op Nehalennia van het lot, maar ook op haar functie als behoedster van zeevarenden.

Met moeite te ontcijferen teksten

Met moeite te ontcijferen teksten

De inscripties bevatten in hun eenvoudigste vorm de naam van de godin: (Deae) Nehalenniae, wat betekent: aan de godin Nehalennia.  Vervolgens de naam van de schenker, bijvoorbeeld Marcus Similinius Seranus, afgaande op de drie namen een Romeins burger en tenslotte de afgekorte wijdingsformule: (V)otum (S)olvit (L)ibens (M)erito, wat staat voor: heeft zijn  gelofte ingelost, gaarne en met reden.

Ze kregen de naam votiefstenen omdat ze op grond van een belofte (ex voto) aan de godin zijn geschonken. De redenen waren de belofte voor een voorspoedige reis of als dank voor een volbrachte overtocht.

De inscripties zijn vaak langer en geven het beroep of de functie van de schenker aan. Zo zien we dat een aantal zouthandelaar zijn, een ander handelt in aardewerk. We vinden het beroep van reder en een scheepskapitein. Maar ook een raadslid uit Nijmegen en twee wijnhandelaren. Deze laatsten laten dat niet letterlijk in de inscriptie vermelden maar hebben de maker de opdracht gegeven dit figuratief in de steen uit te beelden. Van 20 personen is de herkomst bekend, de meest voorkomende plaatsnaam is Keulen. Maar ook Frankrijk en Zwitserland zijn vertegenwoordigd.

Geschenk van een wijnhadelaar, een steen met een afbeelding van een schip met wijnvaten

Geschenk van een wijnhandelaar, een steen met een afbeelding van een schip met wijnvaten

Opnieuw, wie was Nehalennia?

Maar wie of wat was Nehalennia? Vanaf de eerste ontdekking bij Domburg zijn verschillende betekenissen aan de naam toegeschreven. Het zou staan voor: “Walcherse godin”, “Vriendelijke geefster”, “Scheepsgodin” en zelfs “Doodsgodin”. Momenteel neigt men er naar de naam te vertalen in “Leidster of Stuurvrouwe”.

De naam werd als Keltisch of Germaans beschouwd. Maar nu is dus bewezen dat ze van Keltische oorsprong is.

 

Zij was dus een Keltisch-Germaanse godin en zou macht hebben uitgeoefend op scheepvaart en handel. Om die reden deden reizigers en zeevarenden de handelsnederzetting aan en offerden hun giften om de zegen over hun werk maar vooral over hun reizen af te smeken en door hun gaven een veilige reis en welvaart te verkrijgen.

De naam Nehalennia heeft opnieuw een bekende klank gekregen in Zeeland. In Colijnsplaat is een replica van haar tempel gebouwd. Er zijn verschillende scholen en hotels naar haar genoemd.

Replica van de tempel in Colijnsplaat

Replica van de tempel in Colijnsplaat

Let eens op als u door Zeeland zwerft, hoe vaak u rechtstreeks of onrechtstreeks u geconfronteerd wordt met deze naam van deze godin. Het zal aan uw bezoek aan deze provincie een extra dimensie toevoegen.

Bronnen: Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen

Dr. P. Stuart

Dhr. J. Bout

Met dank aan Dr. H. Uil