In de 14de eeuw lagen ten oosten van het voormalige eiland Duiveland een aantal kleine eilandjes. In de loop van de jaren werden deze met elkaar verbonden. In 1353 en 1354 werden de resterende schorren bedijkt. Omdat de nieuwe polder ten oosten van Duiveland lag kreeg deze de naam Oosterland.

De Vierbannenpolder – Google Earth

Steenen Swaane

Het Steenzwaanwater, in vroeger tijden ook wel de Steenen Swaane geheten, is gelegen in de oudste polder van Duiveland, de Vierbannen Polder. In deze polder, die voor 1300 was bedijkt, waren de heerlijkheden Capelle, Ouwerkerk, Nieuwerkerk en Botland gelegen. De Steenen Swaane was een ondiepe geul die de laatstgenoemde heerlijkheid in een beoosten Swaane (Nieuwerkerk) en een bewesten Swaane (Botland) verdeelde. Deze geul heeft voor zover bekend nooit als ambachtsgrens dienst gedaan. Van de geul is thans nog een klein deel over, gelegen in de nabijheid van de Oude Polderd.

Johan Steengracht van Oostcapelle, voormalig ambachtsheer

Bannen

De genoemde heerlijkheden lagen in de oudste en grootste polder van Schouwen-Duiveland. Samen vormden ze een ambachtsheerlijkheid. De Ban was de naam die men gaf aan een heerlijkheid die het recht had te kunnen vonnissen of, als straf, zelfs kon verbannen.

het vroegere wapen van Botland

Botland

Botland was de ambachtsheerlijkheid. Het was in omvang 473,5 gemet groot. Dat is ca. 190 ha. Daarbij moeten nog vier kleine ambachten binnen de heerlijkheid Nieuwerkerk met een gezamenlijke oppervlakte van 22,5 gemet worden opgeteld.

In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht is Botland nooit een dorp geweest. Wel behoorde een deel van Nieuwerkerk tot de heerlijkheid Botland.

Botland viel onder het rechtsgebied (ban) Botland en Nieuwerkerk.

Historische tekening van de St-Elisabethsvloed

Natte polder

Erg veilig was de Vierbannenpolder niet. Regelmatig had het gebied last van stormvloeden, en liep de polder vol. De oudst bekende stormvloed was de Sint Aagtenvloed in 1288, gevolgd door rampen in 1304, 1403, 1414, 1421 (drie Sint Elisabethsvloeden) in 1530 de Sint Felixvloed en tenslotte, voorlopig de laatste stormvloed in 1532.

Slot Swanenburg naar een tekening uit 1600

Capelle

Capelle was een niet onbelangrijke heerlijkheid in de Vierbannenpolder. In deze heerlijkheid werd in de middeleeuwen zelfs een slot gebouw, Slot Swanenburgh. In dit vrij grote slot vonden de ‘Heeren van Duiveland’ onderdak. Er ontstond in de omgeving van het slot een heus dorp, met een eigen kerk. Maar de grootsheid was vergankelijk.

De kerk van Capelle

In de middeleeuwen was het nog een dorp, maar bij de stormvloed van 1532 stortte de kerk in om voorgoed verloren te gaan. Ook een groot aantal huizen ging verloren. Omdat de bewoners geen geld hadden om de kerk opnieuw op te bouwen veranderde Capelle van dorp in gehucht. Sinds die tijd bestond dit gehucht uit niet meer dan enkele straten en verspreid liggende boerderijen.

Meekrap

De bewoners van Capelle waren voornamelijk kleine keuterboertjes die met hard werken een schamel bestaan wisten op te bouwen. Dat veranderde omstreeks het begin van de 14de eeuw toen meekrap in onze streken werd geïntroduceerd.

Omstreeks 1300 komen de eerste vermeldingen van meekrapteelt in Vlaanderen voor, in de polders rond Brugge. Vanaf de 14e eeuw komt meekrap in Nederland voor, vooral op de goed bemeste kleigronden van Zeeland. Pogingen om de plant te telen in andere delen van Nederland mislukten.

De drie stadia van meekrap

Teelt en verwerking

Na de aanplant duurde het drie jaar voor het gewas kon worden geoogst. De plant had dan dikke wortelstokken en dunne bijwortels. Die bijwortels bevatten een à twee procent van de grondstof van de kleur.

Nadat de wortels van de 3-jarige meekrapplant in de maanden september tot november waren gedolven, werden ze opgeslagen in meekrapstoven. Deze stonden vaak in de nabijheid van de meekrapvelden. Een meekrapstoof bestond uit drie gedeelten: een schuur (de koude stoof) waarin de wortels bij aankomst werden gestort; een droogtoren waarin een oven aanwezig was die voor een snelle droging zorgde en waarin de wortels werden gezuiverd, en een stamphuis waarin de wortels werden verpulverd met behulp van grote stampers die met paardenkracht werden aangedreven.

Handel

De kosten voor de bouw van een meekrapstoof waren vrij hoog. Daarom bouwden meerdere boeren (meestal zestien) samen één meekrapstoof. Eigenlijk een vroege vorm van landbouwcoöperatie. Het meekrappoeder werd verscheept werd naar Rotterdam en daar verhandeld op de stapelmarkt. Van daar uit werd het verfpoeder verkocht aan ververijen en katoendrukkerijen.

Meestoof De Kapel omstreeks 1905. (Beeldbank Gemeentearchief Schouwen-Duiveland, foto P.C. van Immerzeel)

Meestoof

In 1836 werd ook in Capelle een meestoof gebouwd. Deze ‘fabriek’ werd opgericht door 16 kapitaalkrachtige heren. Abraham Caland, de bekende Zeeuwse waterbouwkundige, was een van hen. Hij legde de eerste steen voor het gebouw. De bouw ervan kostte 23.000 gulden. Meestoof de Kapel was een feit.

Brand

In 1869 werd door brand een groot deel van de meestoof verwoest. Nieuwbouw was noodzakelijk. Het gebouw verrees nog hetzelfde jaar en staat er, in aangepaste staat nu nog.

Rond 1870 verdween de meekrap in relatief korte tijd als gewas toen er een procedé was gevonden waarmee de verfgrondstof alizarine relatief eenvoudig op chemische wijze uit koolteer kon worden gewonnen.

Cichorei

Cichoreifabriek

 Ondanks de klad in de handel hield meestoof De Kapel het nog tot 1914 uit. Maar dat was niet het definitieve einde. Het gebouw werd verbouwd tot een cichoreifabriek. De aangepaste fabriek werd in 1917 in gebruik genomen.

Cichorei werd na de Tweede Wereldoorlog in Zeeland vooral geteeld vanwege de bladeren. De plant is beter bekend als witlof. De witte bladeren ontstaan als de cichoreiwortels in het donker uitlopen. Maar vóór de oorlog werd cichorei vooral geteeld vanwege de wortels. Daarvan werd surrogaatkoffie (of ‘peekoffie’) gemaakt. De iets bitter smakende peekoffie was een alternatief voor de veel duurdere ‘echte’ koffie en was daarom met name in de crisis- en oorlogsjaren erg populair. De dikke, witte cichoreiwortels werden gedroogd, gemalen en gebrand. Samen met andere ingrediënten, zoals gerst, erwten, bonen en eikels, kon er surrogaatkoffie van worden gemaakt.

…en nu een verlaten cichoreifabriek

 

 

Hoewel verbouwd, aangepast en steeds van een nieuwe bestemming voorzien, is de meestoof De Kapel, gelegen langs de weg van Bruinisse naar Zierikzee, toch een klein monumentje in Capelle. Het is op Schouwen-Duiveland nog maar een van de twee bewaarde meestoven.

Zelfstandige gemeente

In de Franse tijd, in 1810 werd Botland een zelfstandige gemeente. Het vormde samen met Capelle de gemeente Capelle en Bortland. Ook dat was  van korte duur. Drie jaar later, in 1813 ging het deel uitmaken van de gemeente Nieuwerkerk. Dat zou zo blijven tot 1961. In dat jaar werd Capelle deel van de gemeente Duiveland die op haar beurt in 1997 ten prooi viel aan de gemeente Schouwen-Duiveland.

1953

Aan het begin van 1953 bestond het gehucht Capelle uit anderhalve straat met een 20-tal arbeidershuisjes, een paar boerderijen en een cichoreifabriekje. Lang was er nog een cafeetje en een buurtwinkeltje.

Maar alles zou veranderen in die zwarte nacht op 1 februari. Tijdens de Watersnood braken op drie plaatsen de dijken van de Vierbannenpolder door. Daardoor kon het onstuimige water vanuit drie kanten het nietige Capelle bespringen. De huizen waren in slechte staat van onderhoud. Er werden zelfs onbewoonbaar verklaarde woningen bewoond. De harde wind en drijvend hout dat, als stormrammen, door de bewegingen van eb en vloed door het dorp werden geduwd, bezweken in het centrum van het gehucht, op twee na, alle huizen.

Zeeland 1953. Op het dak wachten op hulp – Foto ANP

Ook was de schade groot onder de boerderijen en de rondom de kern van Capelle. Veel huizen en gebouwen waren niet bestand tegen het natuurgeweld.

Capelle werd door de ramp gerekend tot een van de zwaarst getroffen dorpen. 42 van de iets meer dan 100 inwoners lieten het leven. Dat is 40%.

Na de ramp

Na de ramp werd door de gedeputeerde staten van Zeeland besloten Capelle niet meer op te bouwen. Het gehucht was te klein om er veel geld in te steken.  Boerderijen en de daarbij horende huisjes werden hersteld. De overige vroegere inwoners moesten zich in Nieuwerkerk vestigen.

Er werden uiteindelijk twee huizen in ere hersteld. Ook het voormalige kerkhof resteert nog. Capelle werd door al deze tragiek het laatste ‘Verdronken Dorp’ van Zeeland.

Het oude stadswapen Capelle

Gemeentewapen

In 1961 werd de nieuwe gemeente Duiveland gevormd. Als eerbetoon koos met het eeuwenoude wapen van Capelle als gemeentewapen.

Hoewel Capelle al sinds eeuwen met een C werd geschreven, werd om onnavolgbare reden de naam veranderd in Kapelle, met een K.

Maar oude liefde roest niet. Als u de overblijfselen van Capelle binnen rijdt ziet u witte plaatsnaamborden met daarop trots Capelle met een C.

Capelle

Rust en stilte

Als u de tijd neemt om door de Vierbannenpolder te wandelen, overvalt u de stilte. Deze omgeving staat bol van de geschiedenis. Neem een kijkje bij de vroegere veerhaven en latere sloopwerf van Viane. Vandaar uit langs het oude gemaal, naar Ouddorp om tenslotte voor een kop koffie te stoppen bij het vijfde caisson krijgt een pas echt het besef van de grootsheid van Zeeland door de eeuwen heen.

Het gemaal