In 2016, tijdens de vluchtelingencrisis was er sprake van behoefte aan meer opvang voor asielzoekers. De regering vond dat Zeeland in totaal 2500 vluchtelingen op moest vangen. Naast de noodopvang die toen al tijdelijk op diverse locaties werd geboden, leidde dat tot plannen voor nieuwe azc’s in onder meer Breskens, Vlissingen en tussen ‘s-Gravenpolder en ‘s-Heer Abtskerke.

Zowel in Breskens als in ‘s-Gravenpolder stak een storm van protest op, waarna de plannen werden ingetrokken. Doordat de aanwas van asielzoekers inmiddels was afgenomen, bleek het uiteindelijk ook niet meer nodig om extra opvanglocaties te realiseren.

Opnieuw

De stroom vluchtelingen, inclusief hopeloze gevallen en avonturiers, zwelt echter weer aan. Er wordt weer een beroep gedaan op Zeeland. Staatssecretaris Ankie Broekers-Knol wil een ‘evenwichtige verdeling’ van de opvangplekken over het land. Op basis van het inwoneraantal zou Zeeland vanaf 2020 rond de 800 plekken moeten bieden. Op dit moment zijn dat er 642, bijna gelijk verdeeld over de asielzoekerscentra (azc’s) in Middelburg en Goes. Maar het azc in Goes sluit over een week definitief de deuren, waarmee 300 opvangplekken verdwijnen. De gemeente verwierp vorige week het verzoek van Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) om het centrum langer open te houden.

Anneke Broekers Knol -Foto httpscommons.wikimedia.org.

Opnieuw dient zich een probleem aan. Maar dit is niet nieuw. Er was altijd al verzet tegen kampen voor opvang van vluchtelingen. Hoewel Nederlanders en Zeeuwen in het bijzonder genereus hun woningen openstelden voor meer dan een miljoen Belgische vluchtelingen tijdens de Eerste Wereldoorlog, dat veranderde 20 jaar later aanzienlijk.

Koningin Wilhelmina wilde geen Joods vluchtelingenkamp in haar achtertuin.

Als oplossing voor de grote toestroom van Joodse vluchtelingen, besloot de Nederlandse overheid een jaar voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog tot de bouw van een centraal opvangkamp. Het oog viel op een vlakte in de gemeente Ermelo, het Elspeterveld. De Ermelose gemeenteraad ging akkoord, maar toch kwam het kamp er niet. Koningin Wilhelmina had namelijk bezwaren tegen een Joods vluchtelingenkamp op slechts twaalf kilometer van haar buitenverblijf.

Nadat Adolf Hitler  in 1933 de macht in handen gekregen had, probeerden veel Duitse Joden uit angst voor vervolging hun land te ontvluchten. Dit bleek in de praktijk vaak niet eenvoudig. Veel landen sloten de grenzen voor vluchtelingen en deden er alles aan het aantal Joden dat desondanks toch het land binnenkwam tot een minimum te beperken. Wanneer Joden toch (illegaal) het land in waren gekomen, probeerde men hen ertoe te bewegen zo snel mogelijk door te reizen naar een ander land.

Interieur van een synagoge in Berlijn, verwoest tijdens de Kristallnacht, 1938 – Foto Foto httpscommons.wikimedia.org.

 

 

Ongewenste vreemdelingen

Vanaf 1933 trokken Duitse Joden ook Nederland binnen. Ons land kende destijds wel een uit 1849 daterende vrij liberale vreemdelingenwet die bepaalde dat ”…iedere vreemdeling in het koninkrijk welkom [was], mits hij politiek te goeder trouw werd bevonden, financieel onafhankelijk was, geen gevaar vormde voor de gemeenschap en in het bezit was van geldige identiteitspapieren.” – Nanda van der Zee – Om erger te voorkomen, p.37

Maar hoe?

Hoe men om diende te gaan met vluchtelingen werd echter niet vermeld. Wel stond in de wet beschreven dat alle vreemdelingen die geen officieel bewijs van toelating hadden, formeel als illegaal werden beschouwd. Nederland werd overvallen door de plotselinge toestroom aan vluchtelingen. Aanvankelijk konden vluchtelingen ons land nog vrij gemakkelijk binnen komen, maar vanaf 1934 werd de houding jegens vluchtelingen steeds harder. Men ging aparte eisen aan Duitse vluchtelingen stellen. En op den duur kreeg de politie opdracht alle vluchtelingen die niet in direct levensgevaar verkeerden gelijk terug te sturen.

Mr. Carel Goseling

In 1938, na de Anschluss (de Duitse annexatie van Oostenrijk) en de Kristallnacht, ontstond een nieuwe vluchtelingenstroom. De regering besloot hierop de grens definitief te sluiten. De rooms-katholieke minister van Justitie C. Goseling liet na het sluiten van de grens een schrijven rondgaan waarin hij bekendmaakte dat er geen enkele vluchteling meer werd toegelaten.

“Een vluchteling zal voortaan als een ongewenst element voor de Nederlandse maatschappij en derhalve als een ongewenste vreemdeling worden beschouwd, die derhalve aan de grens geweerd, en, binnenlands aangetroffen, over de grens gebracht zal moeten worden.” – Nanda van der Zee – Om erger te voorkomen, p.37

Alleen als het leven van een vluchteling aantoonbaar in gevaar was, werd deze nog toegelaten. Maar wat precies als ‘levensbedreigend’ werd gezien, bleef echter vaag. Al snel werd wel duidelijk dat de dreiging van opsluiting in een concentratiekamp in ieder geval niet als levensbedreigend werd beschouwd.

Hoeveel Joodse vluchtelingen er in de periode 1933-1940 precies ons land binnenkwamen is niet na te gaan. Schattingen lopen uiteen van 30.000 tot maximaal 50.000 vluchtelingen.

Kampen

Ondanks de grenssluiting bleven vluchtelingen proberen Nederland (illegaal) binnen te komen. Eenmaal binnen bleek het niet eenvoudig hen weer naar Duisland terug te sturen. Uiteindelijk werd daarom besloten tot oprichting van twee verschillende soorten kampen, één voor illegaal het land binnengekomen vluchtelingen en één voor vluchtelingen die met toestemming van de regering toegelaten waren. Met een verplichte kampopname probeerde men meer grip te krijgen op de vluchtelingenproblematiek en hoopte men meer vluchtelingen er toe te bewegen te emigreren naar een ander land. Ook zorgden de kampen ervoor dat de vluchtelingen niet concurreerden op de toch al krappe arbeidsmarkt. In totaal werden vijfentwintig van dergelijke kampen opgericht, waarvan de grootste gevestigd waren in Amsterdam.

Krantenbericht over de geplande vestiging van het kamp in Ermelo – De Telegraaf, 08-03-1939 (Delpher)

Centrale opvang

Januari 1939 werd besloten het beheer en de organisatie te centraliseren. Er moet een nieuw, groot kamp komen voor de Joodse vluchtelingen. Een maand later werd een geschikte locatie gevonden: het Elspeterveld in Ermelo. Volgens historica Nanda van der Zee, die uitgebreid onderzoek deed naar de lotgevallen van de Nederlandse Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog, was de keus voor Ermelo logisch. Het gebied lag geïsoleerd, de grondprijs was laag, het ministerie van Defensie had aangeven het terrein later wel over te willen nemen en er waren voldoende mogelijkheden voor zorg in de buurt. Van der Zee:

“Het laatste, maar beslist niet minste argument om het Elspeterveld goed te keuren, was de zwaar christelijke, op de eigen gemeente gerichte bevolking van de streek, die niet tot ‘intensieve aanraking’ met de joodse vluchtelingen genegen zou zijn.” – Nanda van der Zee – Om erger te voorkomen, p.37

Aantrekkelijk

Vanuit het oogpunt van de regering was dit aantrekkelijk. Interactie tussen vluchtelingen en de autochtone bevolking probeerde men namelijk tot een minimum te beperken. Dit om te voorkomen dat onder de bevolking extra onrust ontstond over de ontwikkelingen in Duitsland. Mogelijke locaties voor een centraal opvangkamp rond Apeldoorn en Arnhem waren vanwege opener gemeenschappen dan in Ermelo eerder al afgevallen.

Oorspronkelijk geplande plaats voor het opvangcentrum

Het kamp in Ermelo moest onderdak bieden aan tussen de 2500 en 3000 vluchtelingen. De Ermelose gemeenteraad moest eerst wel akkoord gaan met de vestiging van het kamp. Tijdens een extra belegde raadsvergadering op 10 maart 1939 besloot de raad (met tien stemmen voor en vijf tegen) om ongeveer honderd hectare heidegrond voor het kamp te bestemmen. Er werden wel enkele voorwaarden gesteld. Zo moest de regering maatregelen treffen om “de zondagsrust in den geest der Elspeetsche bevolking” te bewaren en daarnaast moest de bouw van de barakken vooral werkgelegenheid voor lokale ondernemers opleveren.

Koninklijk protest

Het Elspeterveld leek zeer geschikt, maar toch kwam er kritiek. Vooral het protest vanuit het koningshuis woog zwaar. Koningin Wilhelmina hoorde pas op de dag van de Ermelose raadsvergadering van de plannen voor het kamp in Elspeet en was not amused. Dit was naar haar smaak veel te dicht bij haar twaalf kilometer verderop gelegen buitenverblijf, Het Loo. Op 14 maart 1939, enkele dagen na het akkoord van de Ermelose gemeenteraad, maakte het Kabinet van de Koningin de minister van Buitenlandse Zaken, Hendrik van Boeijen, duidelijk “…dat Hoogst derzelve bepaald betreurt, dat de keuze van een plaats voor het vluchtelingenkamp gevallen is op een terrein, dat zo dicht bij het zomerverblijf van Hare Majesteit gelegen is en dat het Hoogst derzelve aangenamer ware geweest indien dat terrein, eenmaal de keus op de Veluwe gevallen zijnde, veel verder van Het Loo had gelegen. Hare Majesteit zou het dan ook op prijs stellen, indien laatst bedoeld terrein, hetwelk overigens aan alle daaraan te stellen eisen natuurlijk zoude moeten voldoen, alsnog gevonden zoude kunnen worden, temeer waar Uwe Excellentie in uitzicht stelt, dat het op te richten kamp geen kwestie van korte duur zal zijn.”

Koningin Wilhelmina greep hoogst persoonlijk in

Telefonisch werd hierna nog kenbaar gemaakt dat de voorkeur van koningin Wilhelmina uitging naar een locatie in Brabant, en anders een opvang in Oldebroek of Heerde.

‘Een ramp’

Ook vanuit de Ermelose bevolking kwamen er bezwaren. Inwoners stuurden bezorgde en boze brieven naar het gemeentebestuur en de VVV Elspeet riep burgemeesters en wethouders in een schrijven op om de stichting van een kamp te voorkomen. De komst van het kamp vol Joodse vluchtelingen zou een ramp zijn, meende de VVV.

“Het natuurschoon en de rust die de stadsmensen en ook de inwoners te Elspeet en Ermelo in zo ruime mate konden genieten en waardoor Elspeet door het gehele land vermaard is, dreigen thans met één klap te worden vernietigd door de komst van deze ongewenste vreemdelingen. Elspeet, het geliefde vakantieoord voor velen, wordt op die wijze gemaakt tot een ghetto in de ware zin des woords. […] Een natuurramp zou voor Elspeet niet noodlottiger kunnen zijn dan de stichting van zo’n kamp.”

Bericht in ‘De Telegraaf’ van 09 maart 1939 over het opvangkamp in Ermelo (Delpher)

Ook de Nederlandse Vereniging voor Vreemdelingenverkeer en de ANWB maakten bezwaren. Volgens de ANWB mocht het vakantieplezier van toeristen niet worden bedorven door de komst van een Joods vluchtelingenkamp. Er waren wel betere plekken te vinden…

 

 

Boulevard des Misères Westerbork

 

 

Een nieuwe plek: Westerbork

Kort nadat koningin Wilhelmina haar bezwaren kenbaar maakte, liet de regering Elspeet als locatie vallen en ging men met spoed op zoek naar een nieuwe locatie. Na terreinen in de omgeving van Heerde, Oldebroek, Steenwijk te hebben bekeken viel op 19 juli 1939 uiteindelijk de definitieve keuze op het Amerveld bij Westerbork. Het Joods Comité voor Joodse Vluchtelingen merkte nog op dat deze locatie veel te decentraal lag en dat dat de emigratie-werkzaamheden zou schaden, maar het bezwaar mocht niet baten. Op 9 oktober datzelfde jaar arriveerden de eerste Joodse vluchtelingen in Westerbork. Geld voor de bouw van het opvangkamp moest overigens voor een groot deel opgehoest worden door de Joodse gemeenschap in Nederland.

Uiteindelijk toch een Joods opvangskamp

Na de capitulatie besloten de Nederlandse autoriteiten alle Joodse vluchtelingen in Westerbork onder te brengen. In 1942 kwam de kampleiding in handen van de Sicherheitspolizei (SD) en kwam het kamp bekend te staan als het Polizeiliches Durchgangslager Westerbork. Vanuit het kamp werden in de periode hierna ruim 100.000 in Nederland wonende Joden en 245 Roma en Sinti gedeporteerd naar vernietigingskampen in Oost-Europa.

Bron: Historiek.net ~ Yuri Visse – PZC