Jacobus Bellamy werd geboren op 12 november 1757 in Vlissingen. Zijn ouders waren Jacques Bellami jr. en Sara Hoefnagel. Zijn vader was chercher, afgeleid van het oud Franse woord sarchier, wat belasten betekent,  een belastingambtenaar dus in dienst van de Staten van Zeeland. Een heel behoorlijk inkomen en een eigen woning. Niets leek een onbezorgde jeugd de jonge Jacobus in de weg te staan.

Het geboortehuis van Bellamy aan het huidige Bellamypark in Vlissingen, foto, 12 november 1957, fotoarchief PZC, Zeeuwse Bibliotheek, Beeldbank Zeeland, recordnr. 34764

Noodlot

Maar niets was minder waar. Jacobus was vier jaar toen zijn vader overleed. Hun hele wereldje stortte in. Zijn in Zwitserland geboren grootvader (weduwnaar) Jacques sr. kwam bij het gezin inwonen om de boel draaiende te houden. Maar er moest geld op de plank komen. Op zijn 12de jaar, na enkele jaren op school, werd Jacobus aan het werk gezet bij een bakker.

 

 

Kopergravure van Jacobus Bellamy, collectie KZGW, ZI IV, 210.

Versjes schrijven

 Jacobus was doodongelukkig in die periode. In zijn neerslachtige buien begon hij zich toe te leggen op het schrijven van eenvoudige gedichten. Wel raakte hij al snel belezen en het schrijven van verzen veranderde in het schrijven van serieuze gedichten. Zijn grote voorbeelden in die tijd waren Joannes Antonides van der Goes, Jakob Zeeus en Hubert Cornelisz. Poot. Het dichten gaf hem troost tijdens zijn sombere momenten.

Van der Goes naar een Portret van Ludolf Bakhuizen

Aanbeveling

Op zijn 20ste was zijn werk als dichter opgevallen bij dominee Jona Willem te Water, die zich over de intelligente knaap ontfermde. Hij introduceerde Jacobus in 1777 bij een dichtersgenootschap. Zijn passie was de literatuur. Hij deed niets liever dan schrijven. Zijn proza, bijdragen aan tijdschriften, flonkeren nog steeds. Maar het was vooral zijn toen nog niet ontdekte poëzie dat hem beroemd zou maken.

Het was ook met steun van dominee Te Water dat hij werd toegelaten tot de predikanten opleiding in Den Haag. Hier werd hij lid van het dichtgenootschap ‘Kunstliefde Spaart Geen Vlijt’. In die tijd ontwikkelde hij zijn theorie dat losheid, waarheid en natuur de voorwaarden zijn voor de totstandkoming van iedere vorm van kunst. Zijn dichtkunst werd anacreontisch van vorm.

Anacreontisch

 De term anacreontische poëzie verwijst naar de Griekse lierdichter Anacreon (6de eeuw v. Chr.), maar betreft een genre dat in feite een latere vinding is. Centraal staat de thematiek van ‘Wein, Weib und Gesang’, in een luchtige, spottende stijl verwant aan de Franse ‘poésie fugitive’, met een anekdotisch karakter. Deze dichtvorm heeft, als tegenpool van de alexandrijn, korte drie- of viervoetige  trocheïsche regels waarbij een versvoet bestaat uit een beklemtoonde en een onbeklemtoonde lettergreep. Strofenbouw en rijm ontbreken.

In de Nederlandse letterkunde is dit soort poëzie beoefend door Jan Luyken en H.Cz. Poot. Grote bloei beleefde het genre in de tweede helft van de 18de eeuw, onder invloed van het Duitse rococo, bij Bellamy, Bilderdijk en Kinker.

Willem Bilderdijk

Francina Baane

Aan het begin van zijn carrière werd Bellamy hopeloos verliefd op Fransje Baane een jeugdvriendinnetje van hem. Haar moeder verbood haar echter een verloving vanwege zijn armoedige afkomst. Zijn verliefdheid was niet te stuiten. In zijn eerste bundel; ‘Gezangen mijner jeugd’ trad Fransje op onder de door Bellamy bedachte naam Fillis. Fransje moest zich onder dwang van haar moeder verloven met een ander.

In 1780 stierf de verloofde van Fransje. De twee ontmoetten elkaar in het geheim in het huis van een vriendin waar ze zich stiekem verloofden. Toen haar moeder daar achter kwam verbood Fransjes moeder dat de twee elkaar nog zouden zien. Deze tijd was een bron van inspiratie voor Bellamy. In 1784 werd hij officieel erkend als dichter en uiteindelijk accepteerde zijn schoonmoeder de verloving. Zij zouden bij elkaar blijven tot aan zijn dood. Fransje is nooit getrouwd, zij overleed op 17 oktober 1837 in Goes, op 79-jarige leeftijd.

Overlijdensbericht Fransje Baane

Universiteit

 Aan het einde van 1781, na twee jaar privélessen van rector Didericus van Cruysselbergen, werd Jacobus toegelaten op de Universiteit van Utrecht. Dominee Te Water was inmiddels overleden en vanaf dat moment kwam de financiële steun van Nicolaas Cornelis Lambrechtsen. Deze vooraanstaande Zeeuw was Heer van Ritthem. Een Zeeuwse jurist en patriottistisch politicus  tijdens de Franse tijd. Toen Bellamy Vlissingen voor Utrecht verruilde, miste hij zijn Fransje ontzettend.

Postkaart met daarop de afbeelding van Bellamy als patriot.

Maar er kwam een andere liefde voor in de plaats.Deze nieuwe liefde was de politiek. De uit een zeer eenvoudig Vlissings milieu afkomstige dichter had vanaf zijn twaalfde als knecht gewerkt en wist als geen ander hoe weinig rechten het volk had. In Utrecht, patriottenstad bij uitstek, werd hij een politiek activist. Bellamy publiceerde onder het pseudoniem Zelandus Vaderlandsche gezangen (1782/’83): politieke gedichten die hem tot een nationale beroemdheid maakten en tot dé literaire propagandist van de patriotten. Net als veel andere Nederlanders wilde Bellamy een radicale, politieke omwenteling.

Omslag van Nederlandse Gezangen

Publicaties

In 1781 werd zijn eerste gedicht gepubliceerd in het patriottische weekblad ‘Post van den Neder-Rhijn’. De Post van den Neder-Rhijn was een patriottisch tijdschrift en  bestond van 1781 tot 1787, in de nadagen van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Het was een van de eerste opinieweekbladen van Nederland. Bellamy publiceerde hier onder het pseudoniem Zelandus.

Titelblad van het tijdschrift in 1781

Hierna brak een periode aan waarin de roem van Bellamy snel steeg. Hij ging zich meer toeleggen op volksdichtkunst en het uitdragen van vaderlandse en onafhankelijksheidsgevoelens. Hij gaf meer en meer blijk van politieke voorkeuren en  opinies.

Uitgever Jan Marinus van Vloten publiceerde in de periode juni 1782 tot december 1783 negen verzen die allemaal in de Post van den Neder-Rhijn waren verschenen. In dat jaar werden ze gebundeld in één bundel. Zijn tweede officiële uitgave kreeg als titel: ‘Vaderlandsche Gezangen van Zelandus.

Uitgever

In 1784 werd Bellamy redacteur van het letterkundig tijdschrift ‘Proeven voor het verstand, den smaak en het hart’. Dit tijdschrift was een initiatief van zijn vriend dominee Willem Anthony Ockerse. Ockerse was een Nederlands gereformeerd predikant, makelaar, auteur, politicus en vooraanstaand patriot. Hij was de  hoofdauteur van de Staatsregeling van het Bataafse Volk van maart 1798, de eerste Nederlandse Grondwet.

Openingspagina van de Staatsregeling voor het Bataafsche Volk

 

 

 

 

In de tweede uitgave van ‘Proeven voor het verstand, den smaak en het hart’ plaatste Bellamy een aantal eigen gedichten, waaronder zijn bekende vertelling ‘Roosje’.

In deze periode kwam hij via zijn lidmaatschap van het Utrechts dichtgenootschap ‘Dulces ante omnia Musae’ in contact met gelijkgestemde zielen als de dichters Hinlopen, Rau en Carp. Beïnvloed door de contacten met hen brak hij met het Haagse Dichtgenootschap en begon een eigen tijdschrift, ‘De Poëtische Spectator’. Hierin leverde hij felle kritiek op zijn oude dichtgenootschap.

Laatste werk en overlijden

Ondertussen leed Bellamy hevig aan jicht, had hij amper geld, veel kiespijn en miste hij zijn geliefde steeds meer. Vaak was hij depressief.

Zijn brieven aan Fransje zijn kostelijke lectuur. Zo schreef hij in oktober 1782 in een brief aan Fransje: “Voor eenige dagen heb ik op een collegie tegen een bank mijn scheen opengestoten. Ten eersten heb ik er een papier met jenever opgelegd, doch het wil niet genezen. Integendeel krijg ik van dag tot dag meer pijn in mijn  been. Het is wonderlijk! In Zeeland heb ik zo dikwils een gat in mijn been gestoten, dog het geneesde terstond. Maar hier zal ik nog voor mijn tijd sterven! Alles wat ik nimmer heb gehad, krijg ik hier. Thans hoest ik zonder verkouwd te zijn – te Vlissingen wist ik niet wat hoesten was. Ik ben voor dit land niet gemaakt. Men zegt dat de lugt hier zoo bij uitstek gezond is, maar voor mij is de ruwe Zeeuwse lugt vrij wat gezonder”.

In 1785 gaf hij opnieuw een dichtbundel uit. Dit zou zijn laatste zijn. Hij  sprak niet meer over dichten maar oden. Hij ging daarmee verder dan enkele van zijn progressieve vrienden waaronder Kleyn waarbij hij aandrong op het afschaffen van dichtwetten en regels. Het kwam echter niet zo ver. Op 11 maart 1786 stierf Bellamy, slechts 28 jaar oud. Hij werd begraven als een groot man in de Nicolaïkerk in Utrecht

Omslag van het boek ‘Gezangen mijner jeugd’, het laatste werk van Bellamy

Herinnering

Bellamy zal nooit vergeten worden. Hij wordt erkent als een van de grootste Nederlandse dichters. Zijn naam wordt in leven gehouden onder andere bij het Bellamypark in Vlissingen, het Bellamyhuis in Utrecht en het Bellamyplein en Bellamystraat in Amsterdam

Het Bellamyhuis in Utrecht – foto Vysotsky – commons.wikimedia.org.