Nederland, en met name de kustgebieden zijn altijd het toneel van strijd geweest. Oorlogen volgden elkaar op, maar de grootste vijand was en is nog steeds het water. Maar ook tot diep landinwaarts was het vaak prijs.

Zo’n 2000 jaar geleden bestond de kust van Nederland en België uit een brede duinenrij die hier en daar onderbroken werd door zeegaten waardoor het rivierwater in zee uitstroomde. Achter de duinenrij lag een met kreken dooraderd schorren- en slikkenlandschap dat uit natte klei of veen bestond. Al voor de Romeinse tijd hebben mensen sommige van deze gebieden, bijvoorbeeld in Friesland, in gebruik genomen door terpen en eenvoudige dijkjes aan te leggen. Ook in Zeeland meldden zich de eerste bewoners.

Terpen in het landschap

Terpen in het landschap

Romeinen

De Romeinen begonnen met de aanleg van dijken en dammen om de loop van sommige rivieren te veranderen zodat ze beter bruikbaar werden voor vervoer per schip. Met afwateringskanalen werden op sommige plaatsen gebieden ontwaterd en geschikt gemaakt voor landbouw. Na het vertrek van de Romeinen uit de Lage Landen zijn deze waterbouwkundige werken in verval geraakt. Natuurlijke processen maakten dat het schorren- en slikkenlandschap zich kon herstellen.

Dijken, maar nu serieus

Slikken en schorren - foto Ludo Goossens

Slikken en schorren – foto Ludo Goossens

In de zevende eeuw werd een begin gemaakt met het aanleggen van dijken ter bescherming tegen de zee. Rond het jaar 1000 maakte men in het rivierengebied van de Nederlanden een aanvang met de aanleg van dijken om de loop van rivieren te beheersen. Het gebied dat in de twee eeuwen daarna bedijkt werd, wordt wel “Oudland” genoemd. Maar het hier aanwezige veen klonk door ontwatering zoveel in dat er soms reliëf inversie optrad; de zandbodems van de getijdekreken  kwamen daardoor uiteindelijk hoger te liggen dan het omringende maaiveld. Het gebied dat na circa 1200 werd bedijkt, wordt “Nieuwland” genoemd. Dit waren kwelders waar het veen, vaak door afgraving al verdwenen was en waar slechts geringe inklinking optrad. In het rivierengebied vond veel van de bedijking plaats in het kader van de Grote Ontginning. In het jaar 1014 werd de kust getroffen door een stormvloed waarna men met name in Zeeland en Friesland begon met de aanleg van zeedijken.

Paus Marcellus

Marcellus

Marcellus was de dertigste paus van de katholieke kerk. Hij begon zijn pontificaat onder een ongelukkig gesternte. De heilige stoel was vier jaar niet bezet geweest. Marcellus stond voor de zware taak de kerk volledig te reorganiseren. Hij begon met het, nu zeer omstreden, invoeren van het celibaat voor priesters. Ook besloot hij diegenen die tijdens de christenvervolgingen die vooraf gingen aan zijn pontificaat afvallig waren gebleken zwaar te straffen.

Deze maatregelen zorgden voor zo’n grote onrust dat keizer Maxentius, die eigenlijk geen recht had op de titel keizer, besloot Marcellus te vervolgen. De paus overleed in 309. Hij werd door de katholieke kerk als martelaar vereerd en heilig verklaard. Zijn naamdag werd vastgesteld op 16 januari.

Stormvloeden en naamdagen

Zijn naamdag zou om andere redenen in de herinneringen blijven voortleven. In een korte periode aan het einde van de 12de en het begin van de 13de eeuw werd ons land herhaaldelijk overvallen door stormvloeden.

In 1170 trof de Allerheiligenvloed onze kusten, gevolgd door de Sint-Nicolaasvloed in 1196 en de stormvloed van 1214.

16 januari en Marcellus

Het ergste moest met de Eerste Sint-Marcellusvloed van 16 januari 1219 nog komen. Grote delen van het kustgebied en de omgeving rond de Zuiderzee raakten overstroomd. Deze stormvloed was vooral zo desastreus omdat het water na de storm bij eb nauwelijks zakte. Bovendien, bij de volgende vloed, wakkerde de storm nog verder aan. Dijken die nog overgebleven waren, braken grotendeels weg.

Nederland vlak na de stormvloeden

Hier bleef het niet bij. Sint-Marcellus had zijn naam nog niet voldoende gevestigd. Op 16 januari 1362 sloeg een storm opnieuw toe. De Tweede Sint-Marcellusvloed, werd ook wel de Eerste Grote Mandrenke (grote verdrinking van mensen) genoemd.

De overstroming trof alle landen rond de Noordzee. Kronieken meldden dat het water als gevolg van opstuwing in de Noordzee steeg tot 2,4 meter boven de dijken en 21 doorbraken veroorzaakte. Grote delen van Nederland kwamen blank te staan. Het precieze aantal slachtoffers is nooit bekend geworden, maar schattingen lopen uiteen van 25.000 tot 40.000. Deze stormvloeden waren mede verantwoordelijk voor het hertekenen van ons land. Zonder deze woedende krachten hadden we mogelijk nooit van de Waddenzee en de Zuiderzee gehoord.

 

 

 

 

Monumenten

Overal zijn, met betrekking tot deze stormvloeden littekens in het land achter gebleven. Bekend zijn de monumenten die betrekking hebben op de verdronken en verdwenen dorpen.

Op de dijk bij Colijnsplaat staat het “Monument voor de Verdronken Dorpen” van Lydia Schouten. Hierbij wordt stil gestaan bij de vloed van 1134, waarna de bedijking van het land ter hand werd genomen, 1404, de eerste Sint Elisabethvloed en 1530, de Sint Felixvloed.

Op gezette tijden klinkt er een geluidscompositie vanuit het monument: om 11.34, 14.04 en 15.30 uur. Het zijn tijdstippen gekoppeld aan de jaren waarin zich grote watervloeden voordeden, zoals de eerste Sint-Elisabethsvloed van 1404 en de Sint-Felixvloed van 1530. Op de traptreden naar het water lees je de namen van verdronken dorpen en enkele, altijd actuele, dichtregels naar aanleiding van de Sint-Elisabethsvloed: “Het geldt voor nu, het geldt voor later. Wantrouw de macht van wind en water.”

Verdronken dorpen

Met dit monument worden de 117 verdronken Zeeuwse dorpen in herinnering gebracht, waarna de namen in de traptreden van de dijk zijn aangebracht. Uit het monument klinken geluidcomposities. Als u die wilt horen dan moet u bovenstaande jaartallen goed onthouden. De composities worden gespeeld om 11:34 – 14:04 en 15:30 uur stipt.

Zeelandbrug en monument voor de verdronken dorpen

Telt Schouwen-Duiveland heden ten dage zeventien steden en dorpen, in vroeger tijden waren dat er veel meer. Meer dan twintig dorpen zijn gekrompen of verdwenen waarvan de namen vrijwel vergeten zijn.

Kerken werden na stormvloeden niet hersteld en vroeg of laat volgde afbraak. Naast Klaaskinderkerke zijn Zuidwelle en Duivendijke daarvan voorbeelden. Zuidwelle lag ten zuiden van Noordwelle en ten westen van Serooskerke; Duivendijke lag ten zuidwesten van Brouwershaven.  De heerlijkheid Duivendijke was een voormalige gemeente. In 1961 werd deze gemeente, die nog slechts bestond uit de buurtschappen Brijdorpe, Looperskapelle en een deel van Scharendijke opgeheven.

Veertien welvarende dorpen en gehuchten gingen tussen 1300 en 1600 geleidelijk verloren. Steeds weer werden nieuwe inlaagdijken aangelegd als de zeedijk dreigde te bezwijken. Ook deze dorpen, met namen zoals Borrendamme, Clauskinderen, Jackenkerke, Rengerskerke en Zuidkerke, kregen in het kader van het project verdronken en verdwenen dorpen aandacht. De dorpen worden belicht op informatieborden die worden geplaatst aan de zuidkust. In archeologisch, cultuurhistorisch en landschappelijk opzicht zijn verwijzingen naar deze verdronken en gekrompen dorpen van groot belang. Ze kunnen worden gezien als kleine pareltjes die een rol kunnen gaan spelen bij de toeristische  en recreatieve ontsluiting van het buitengebied en een aanzet kunnen zijn tot het bezoeken en ontdekken van andere, bijzondere plekken op Schouwen-Duiveland.

Doorkijk verdronken dorpen - Viane

Doorkijk verdronken dorpen – Viane

Zo wordt de herinnering levend gehouden aan de plaatsen waar geleefd, gewoond en gewerkt werd. De voornaamste reden voor het opstellen van deze monumenten is, steeds te blijven denken aan de plotseling optredende en vernietigende kracht van het water.