Kort na de Tweede Wereldoorlog werd het Provinciaal Comité tot Herstel van de Zeeuwse Vissersvloot opgericht. Dit ging later op in de Stichting Herstel Zeeland ´45. Na de opheffing van deze stichting besloten vertegenwoordigers van de Zeeuwse visserijgemeenten en van de provincie Zeeland tot de oprichting van de Stichting voor de Zeeuwse Visserijbelangen. Op 21 januari 1948 was de stichting een feit. Ze werd gevestigd te Middelburg.

 

De krant na de oprichting - Krantenbank Zeeland

De krant na de oprichting – Krantenbank Zeeland

Bruse vissers, dreigende werkloosheid

Bruse vissers, dreigende werkloosheid

Zevibel

De provincie trok zich terug uit de stichting. Daardoor ontstond op 21 maart 1952 de Vereniging tot Bevordering der Zeeuwse Visserijbelangen (Zevibel). Hoofddoel van de vereniging was en is nog steeds het behartigen van de belangen van de Zeeuwse visserij en de Zeeuwse vissers.  Zevibel zou het daarmee nog druk krijgen. Zo dreigde de Zeeuwse visserij meermaals kopje onder te gaan, onder meer ten gevolge van de Deltawerken en de voorgenomen afsluiting van de Oosterschelde. Maar ook andere actuele gevaren steken de kop op.

 

Dreigende posters

Dreigende posters

 

 

 

Na de ramp werd in 1954 de Delta Schade wet aangenomen. In, bijvoorbeeld Bruinisse, zag men toen al in dat hierdoor ook de visserij behoorlijk aangetast zou worden. Bruinisse ondervond daar de meeste schade van en er moest gezocht worden naar nieuwe visgrond. Voor de mosselvissers buiten Bruinisse was dat nog ver weg, de Oosterschelde was nog steeds open. Maar de Grevelingen was al nagenoeg dicht. Daardoor verdwenen 380 mosselpercelen wat een ramp was voor de gemeente en nauwelijks voor te stellen. Ook andere vissersgemeente zagen hun toekomst in gevaar komen.

 In het kader van het Deltaplan was de afsluiting van de Oosterschelde voorzien. Maar een algehele afsluiting stuitte op veel en fel verzet. Verschillende belangenorganisaties sloegen de handen ineen en protesteerden. Desondanks werden de werken gewoon gestart. Eind jaren 1960 werd hiermee begonnen. Hiervoor werden enkele kunstmatige eilanden aangelegd, waaronder Roggenplaat (1969), Neeltje Jans (1970) en Noordland (1971). Eind 1973 was al vijf van de negen kilometer van de Oosterschelde afgedamd.

Protest affiche

Protest affiche

Dreigende sluiting Oosterschelde

 Het verzet tegen de sluiting van de Oosterschelde organiseerde zich al in 1968. Diverse belangenorganisaties kwamen bij elkaar: de Zevibel, oesterkwekers, de Stichting voor de Nederlandse Visserij, milieuactivisten, garnalenhandelaren en advocaten. Zij vormden in januari gezamenlijk wat later de Studiegroep Oosterschelde zou worden. Albert Lockefeer van de Zevibel werd hiervan de voorzitter.

Veel vergaderingen werden gehouden bij ir. Loeff, die in Veere aan de Kaai woonde. Zijn buurman was ir. Dibbits van Rijkswaterstaat, een fel voorstander van afsluiting. Dibbits was zodoende zelf getuige van de bewustwording en het verzet van een deel van de Zeeuwen. De kracht van de Studiegroep was de diversiteit.  Academici uit alle geledingen maakten deel uit deze studiegroep. Zij boden met goed onderbouwde en technische argumenten tegenwicht aan de plannen van Rijkswaterstaat.

Oosterscheldekering als startpunt

 De keuze voor een open kering in de Oosterscheldekering kan gezien worden als een omslagpunt in het denken over water. Aanvankelijk zou de Oosterschelde geheel afgedamd worden. Dat zou de veiligheid voor de bewoners van de eilanden rondom dit water het best dienen.

Als snel verzamelden zich allerlei maatschappelijke krachten die in actie kwamen tegen de afsluiting van de Oosterschelde. Zij benadrukten dat de veiligheid van mensen wel belangrijk was, maar dat ook andere aspecten in de besluitvorming meegewogen moesten worden. Het unieke zoutwatermilieu in de Oosterschelde was er daar één van. Er werden afwegingen gemaakt die het belang van de waterkwaliteit, het milieu, de natuurontwikkeling, de visserij, de recreatie, de landbouw, de scheepvaart en de industrie tegen elkaar wegstreepten. Uiteindelijk kwam men tot het besluit dat een open kering het beste alternatief was.

Men was voorstander geworden van een beleid waarin zo veel mogelijk aspecten meegewogen werden en noemde het ‘integraal waterbeheer’. De Oosterscheldekering toonde aan dat het mogelijk was om verschillende belangen met elkaar te verenigen.

Een hele bedrijfstak zou verdwijnen

Een hele bedrijfstak zou verdwijnen

Debatten en conclusie

In 1975 kwam het toenmalige kabinet na felle Kamerdebatten met het voorstel een open kering te bouwen die toch dicht kon. De kering zou uit pijlers bestaan waartussen schuiven werden gehangen. Deze schuiven konden in geval van nood de Oosterschelde afsluiten. De kering zou aanmerkelijk duurder worden dan een dam.

Opnieuw volgden er heftige discussies in de Tweede Kamer. Uiteindelijk ging het parlement in 1979 akkoord. Er zouden ook twee hulpdammen gebouwd moeten worden, de Philipsdam en de Oesterdam. Hiermee werd de oppervlakte van de Oosterschelde beperkt en de getijdewerking versterkt. Verder zou er een getijdevrije scheepsroute tussen Antwerpen en de Rijn ontstaan.

Zevibel had zich tijdens al deze debatten en acties stevig op de kaart gezet.

U kent het resultaat; de Oosterscheldekering zoals we die nu kennen.

Er werd overal geprotesteerd

Er werd overal geprotesteerd

Nu en in de toekomst

Maar ook nu is het werk van Zevibel nog steeds noodzakelijk. Tal van nieuwe problemen hebben zich aangediend. Vooral Europa, in plaats van de Nederlandse regering, is nu de opposant. Er wordt verweer gevoerd tegen de aanlandplicht, waarbij de hele vangst aan land moet worden gebracht en honderden kilo’s vis nodeloos worden vernietigd. Het vangen van mosselzaad op de Waddenzee wordt steeds meer aan banden gelegd. Onder invloed van Frankrijk is het maar de vraag of de pulsvisserij uiteindelijk mag worden gebruikt.

Zevibel heeft haar plaats ingenomen in Zeeland en zal deze en de belangen van de Zeeuwse visserij nog lang moeten verdedigen.