Cornelis Flipse en Geertje Kruis in Wissenkerke vormden een ‘normaal’ gezin. Cornelis was kleermaker. Hij maakte ook muziek, was organist in de kerk en had de leiding over het koor en het plaatselijke harmonieorkest. Flipse was een gerespecteerd man.

Een gepassioneerde Flipse

Een gepassioneerde Flipse

Muzikale opleiding

Op 26 februari 1896 kwam er gezinsuitbreiding. Zoon Eduard werd geboren. Al vlug bleek hij de liefde voor muziek van zijn vader geërfd te hebben. Zijn eerste muziekopleiding kreeg hij als kind van zijn vader. Door hem leerde hij piano, orgel en vrijwel alle blaasinstrumenten van de harmonie te bespelen. Flipse was zes jaar toen zijn vader hem al piccolo liet spelen in harmonie Apollo. Immers, als een lid van de harmonie afwezig was, moest Eduard zijn plaats in kunnen nemen. Als  scholier verving hij zijn vader al als organist.

Hij besloot van muziek zijn vak te maken. Tussen 1908 en 1913 studeerde hij in Goes bij de bekende musicus Otto Lies. Deze bracht hem de liefde bij voor moderne Franse muziek en de componisten Debussy en Ravel.

Karl Otto Lies,

Rotterdam

Hij ging daarna naar Rotterdam om zijn pianostudie te voltooien. In 1916 studeerde hij, bij dirigent en pianist A. Verhey, cum laude af voor piano aan de Koninklijke Nederlandse Toonkunstenaarsvereeniging.

Daarna ging Flipse in de leer bij de componist Henri Zagwijn waar hij zich bekwaamde op piano en compositieleer studeerde. Zagwijn was 1916 tot 1931 hoofdleraar aan de Toonkunst Muziekschool te Rotterdam, en van 1924 tot 1941 leraar aan de Vrije School in Den Haag. Flipse kreeg voor zijn werk in die periode al behoorlijk waardering.

Henri Zagwijn

Henri Zagwijn

 

Vandaar dat hij op zijn dertigste, in 1926 werd hij aangesteld als dirigent van het Rotterdam Philharmonisch Orkest. Ambitieus als hij was, wilde hij Rotterdam een orkest van naam geven. Daarin toonde hij zich een onvermoeibare doorzetter. Dit orkest zou hij tot 1962 trouw blijven.

In enkele jaren vormde hij een groep muzikanten om tot een professioneel orkest waarvoor hij programma’s samenstelde bestaande uit werken van klassieke en onbekende eigentijdse componisten. Daarmee trachte hij ook jonger publiek naar zijn concerten te trekken.

De Tweede Wereldoorlog gooide behoorlijk roet in het eten. Zijn musici kwamen in werkkampen terecht en tal van hen zelfs gedeporteerd naar concentratiekampen.

Na de oorlog

Na het beëindigen van de oorlog moest hij zijn orkest weer van de grond af opbouwen. Met hetzelfde enthousiasme als voordien pakte hij de zaken weer op en slaagde. Zijn Rotterdam Philharmonisch Orkest gaf weer regelmatig uitvoeringen. Daarbij zette hij regelmatig een mix van populaire klassiekers en Rotterdamse premières van nieuwe muziek op het programma. Vooral zijn uitvoering op 3 juli 1954 van de achtste symfonie van Gustav Mahler in de Ahoy-hal kreeg veel bijval en bekendheid. Hiervoor had hij zich verzekerd van de medewerking van elf Rotterdamse koren en werd zijn eigen orkest versterkt door de leden van het Brabants Orkest.

Platenhoes van de beroemde uitvoering van Mahler

Platenhoes van de beroemde uitvoering van Mahler

Later richtte hij een eigen koor op dat verbonden werd aan Rotterdam Philharmonisch Orkest. Naast internationaal repertoire voerde hij ook regelmatig werken uit van Nederlandse componisten, zoals Alphons Diepenbrock, Henk Badings, Willem Pijper  en Wouter Paap.

Antwerpen

Flipse werd in 1958 geëngageerd voor een concert van het twee jaar eerder opgerichte Antwerpse orkest De Philharmonie (nu: Antwerp Symphony Orchestra). Zonder officieel de titel te krijgen, werd Flipse de facto de eerste chef-dirigent van dit orkest. In Antwerpen wachtte hem zowat dezelfde pioniersarbeid als in zijn beginjaren in Rotterdam. ‘Ik aard hier goed in België’, zei hij. ‘Er is leven in het publiek en dat betekent leven in het orkest’. Dankzij de uitstekende orkesttrainer die Flipse was, groeide De Philharmonie in de jaren zestig uit tot een professioneel symfonieorkest. Hij organiseerde audities, nodigde solisten en gastdirigenten uit en nam het orkest mee op tournees naar het buitenland. Net zoals in Rotterdam plaatste hij regelmatig eigentijdse muziek op het programma. Zijn laatste concert als vaste dirigent van De Philharmonie dirigeerde hij op 11 mei 1970.

Eduard Flipse naar Scarbarough 13 juni 1961

Eduard Flipse naar Scarbarough
13 juni 1961

Oude liefde

Terwijl hij in Antwerpen een jong orkest opbouwde, bleef Flipse een graag geziene gastdirigent in Rotterdam, waar hij vooral de passies en de promenadeconcerten voor zijn rekening nam. In 1961 werd aan Eduard Flipse de Van Oldebarneveltpenning toegekend, de hoogste gemeentelijke onderscheiding van de stad Rotterdam. Op 9 juli 1962 sloeg hij de eerste paal voor het huidige gebouw van concert- en congrescentrum De Doelen. In 1966 dirigeerde hij het Rotterdams Philharmonisch bij de opening van de nieuwe concertzaal in het gelijknamige gebouw. Zijn allerlaatste Rotterdamse concert was op 11 februari 1969, ter viering van de vijftigste verjaardag van het orkest. Zijn naam leeft verder in de Eduard Flipse-zaal in De Doelen. Het archief van Flipse werd overgedragen aan het Gemeentearchief Rotterdam.

 

 

 

Einde

Eén van de zalen van De Doelen is naar Eduard Flipse genoemd. De ondersteuningsstichting van het orkest, het Eduard Flipse Fonds, kreeg zijn naam mee. Ook het Eduard Flipse Internationaal Pianoconcours draagt zijn naam.

Het einde van zijn leven naderend werd hij gediagnosticeerd met inwendige ontstekingen en hij werd opgenomen in het St. Ignatius hospitaal in Breda. Zijn laatste jaren bracht hij door in Etten-Leur. Hij stierf aan een nierinfectie op 11 september 1973 op 77-jarige leeftijd

Herdenking en erkenning

De Doelen in Rotterdam, de huiskamer van Flipe Foto F.Eveleens commons.wikimedia

De Doelen in Rotterdam, de huiskamer van Flipse –  Foto F.Eveleens commons.wikimedia

Zijn honderdste geboortedag werd op 26 februari 1996 herdacht in De Doelen met een speciale uitvoering van het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Tegelijkertijd verscheen zijn biografie.

In Hengelo en Spijkenisse werden straten naar Flipse genoemd. In zijn geboorteplaats Wissenkerke kwam een Eduard Flipsepad. Aan dit pad werd op 13 juni 2009 een borstbeeld van hem onthuld.

Flipse bij de onthulling van zojn borstbeeld

Kees Flipse (zoon van) en Lydia Klop, beeldhouwer, bij de onthulling van het borstbeeld

Zeeland

Flipse, vervuld van doorzettingsvermogen gaf niet op voordat zijn idealen verwezenlijkt waren. Hij werkte het grootste gedeelte van zijn leven in Rotterdam. Onder zijn leiding werd ‘zijn Rotterdams Philharmonisch Orkest’  internationaal befaamd.

Eduard Flipse in gesprek met CdK De Casembroot na afloop van een concert, foto J. Midavaine, 1963

Flipse bleef ervan genieten Zeeland te bezoeken. Met genoegen accepteerde hij uitnodigingen mee te werken met muzikale activiteiten. Zo nam hij bijvoorbeeld deel, als enige jurylid, bij de selectie tussen ‘Zeeuwse muziekkorpsen’ tijdens de eerste uitwisseling met Belgisch Oost-Vlaanderen.

Flipse kon mooie verhalen vertellen over zijn bezoekjes aan muziekverenigingen in Zeeland. Bijvoorbeeld dat, toen de burgemeester hem een eerbetoon gaf tijdens een Zilveren jubileum in het begin van 1959, de burgemeester zei: ‘Hooggeachte meneer Flipse’, waarna hij vervolgde in dialect ‘Och Ko, weetje nog dà me saemen ruutjes èbbe ingegooid in de heriffermeerde kêrke?’

Eduard Flipse (2de van rechts) op bezoek bij familie in Wissenkerke in 1961, foto J. Midavaine,

 

 

 

Nooit vergat hij de plaats waar hij opgroeide. Hij was vooral erg gehecht aan de Zeeuwse onderscheiding die hij ontvangen had. Hij voelde hierdoor de waardering van zijn geboorteprovincie. Na optredens in Zeeland werd hij regelmatig benaderd door mensen uit het publiek die bijvoorbeeld zeiden: ‘Eduard – joengen, wat ei-jie mee je mensen mooi hespeeld. Bedankt.’

Eduard Flipse zal in Zeeland nog lang voortleven als een eenvoudige Zeeuwse jongen met een geniaal talent.

Voor mensen die niet bekend zijn met het werk van Flipse, misschien een tip om hem hier eens nader te leren kennen. Deze Zeeuw verdient het.