Cornelis Evertsen de Jongste, Keesje de Duivel, zoals hij later werd genoemd, werd geboren op 16 november 1642, als tweede zoon van luitenant-admiraal Cornelis Evertsen de oude. Hij was kind uit een traditionele marine familie.  Vader was een neef van luitenant-admiraal Johan Evertsen. Keesje was een volle neef van viceadmiraal Cornelis Evertsen de Jonge, wat nogal eens voor verwarring zorgde.

Hij kreeg de bijnaam Keesje den Duivel vanwege zijn, nogal, opvliegende karakter. Een trek die hij van zijn vader had geërfd.

Cornelis-Evertsen-vader-van

Carrière bij de Zeeuwse Admiraliteit

Van kindsaf ambieerde hij een carrière op zee. In 1652, op tienjarige leeftijd, voer hij mee op het schip van zijn vader. Drie jaar later trad hij officieel in zeedienst voor wel 10 guldens per maand.

In 1661 werd hij benoemd tot tweede schipper, de op één na hoogste onderofficiersrang. Hij werd geplaatst op het vlaggenschip van zijn vader, De Vlissingen.

 

Cornelis Evertsen de Jongste

Strijdvaardig

In 1665, tijdens de Tweede Engels-Nederlandse Oorlog werd hij benoemd tot kapitein bij de kaperdirectie van de Admiraliteit van Zeeland. Hij moest dus, gerechtigd door een commissiebrief, proberen vijandelijke koopvaarders prijs te nemen. In datzelfde jaar, op 13 juni vocht hij mee in de slag bij Lowestoft. Diezelfde maand werd hij bevorderd tot vlaggenkapitein en  ordinaris-kapitein, kapitein met een vaste aanstelling en werd hij geplaatst op De Walcheren, het vlaggenschip van zijn vader.

In 1666, tijdens de Vierdaagse Zeeslag, zag hij in de eerste nacht hoe zijn vader doormidden geschoten werd door het laatste schot van de ontsnappende Henry

Slag bij Lowestoft-Door-Hendrik-van-Minderhout-Wiki-Publiek-domein.

Zelfstandig kapitein

Als kapitein van een eigen schip nam hij deel aan Tweede Zeeslag op 4 en 5 augustus 1666. Daarbij zag hij zijn oom Johan sneuvelen.

In de aanloop van de Derde Engels-Nederlandse Oorlog sloeg Evertsen, die kapitein was van een zwaar bewapend begeleidingsschip, een verraderlijke Engelse aanval af op de Smyrnavloot, een vloot van koopvaarders met handel uit het midden oosten. De slag zou bekend staan als de slag bij Solebay.  De Engelse admiraal Robert Holmes had toestemming gekregen deze vloot aan te vallen.

De Engelsen vochten twee dagen een hevige zeeslag uit met de zwaar bewapende koopvaarders en hun begeleiders. Zij liepen daarbij meer schade op dan ze winst boekten.

De ster van Evertsen was snel gerezen.

Het verbranden van de Royal James tijdens de Slag bij Solebay’, door Willem van de Velde -Amsterdam-Scheepvaartmuseum

 

Rampjaar

1672 ging de geschiedenisboeken in als het rampjaar. De Fransen vielen de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën over land aan. Op zee brak de Derde Engels-Nederlandse Oorlog uit die van 1672 en 1674 zou duren. Terwijl het land zuchtte onder de zware oorlogsinspanning vond aan de andere kant van de Atlantische Oceaan een andere strijd plaats.

 

Viceadmiraal Evertsen

Evertsen, inmiddels bevorderd tot Viceadmiraal van de Staatse vloot had in 1672 opdracht gekregen uit te varen om het eiland Sint-Helena in de zuidelijke Atlantische Oceaan, ter hoogte van Angola, te veroveren. Evertsen, commandant van de Swaenenburgh, werd uitgestuurd met een kleine vloot van zes schepen. Naast het veroveren van het eiland diende hij daar verblijvende Engelse Oost-Indiëvaarders te overmeesteren. Bij aankomst bleek dat andere schepen van de VOC de klus al hadden geklaard.

Het verbranden van de Royal James tijdens de Slag bij Solebay’, door Willem van de Velde -Amsterdam-Scheepvaartmuseum

Caraïben

Evertsen besloot daarop, zoals ook zijn alternatieve opdracht was, over te steken naar het Caraïbisch Gebied, met name naar Cayenne op Frans Guyana. Cayenne is de hoofdstad van dit Franse departement en ligt op een gelijknamig heuvelachtig schiereiland tussen de mondingen van de rivier de Cayenne en de rivier de Mabury.

Evertsen vond zijn vloot echter te klein en besloot zich op plaats van aankomst, aan te sluiten bij een Hollandse vloot onder bevel van Jacob Benckes. Deze was met zijn vloot op weg naar Virginia.

Jacob Benckes door Nicolaes Maes

 

 

Hudson Rivier

In augustus 1673 bereikten de beide vloten, nu samen 21 schepen de Hudson Rivier. Daar maakten ze elf schepen buit die tot prijs werden verklaard.

Nederlandse boeren brachten Evertsen op de hoogte van de stand van zaken op fort James, fort Jems zoals de Nederlanders het gingen noemen. Dit Engelse fort lag op het eiland Manhattan en bleek in bijzonder slechte staat te verkeren.

 

Keesje de Duivel

Evertsen, weinig geduldig als hij was, besloot de volgende dag het fort aan te vallen. Vooraf werden de inwoners van de stad, formeel namens de Staten-Generaal, via een bekendmaking van Evertsen, gewaarschuwd voor de op handen zijnde gebeurtenissen.

Fort Willem Hendrik op Manhattan

Op 9 augustus 1673 werd in de vroege ochtend een trompetter naar het fort gestuurd. Hij moest de eis overbrengen zich over te geven.

’s Middags  kwamen drie afgevaardigden van John Manning, de commandant van het fort, aan boord van de Swaenenburgh. De mannen vroegen aan Evertsen waar hij vandaan kwam. De heetgebakerde Evertsen vroeg of ze geen ogen hadden. Ze konden dat wel aan de vlaggen zien. Daarop vroegen ze verder met welke opdracht (commissie) hij zich op de rivier van de hertog van York had begeven en ze wilden zijn commissiebrief zien.

Het geduld van Evertsen was op en hij antwoordde: “dat die brief in de tromp van het canon stack, gelijck sij welhaest gewaer zouden worden indien zij het fort niet overleverden”.

Uitstel

Inmiddels was de trompetter terug gekeerd aan boord. Hij wist te melden dat Manning zou antwoorden als zijn afgevaardigden in het fort waren teruggekeerd. De mannen vroegen Evertsen niet aan te vallen voordat zij overleg hadden gepleegd met hun commandant. De viceadmiraal stemde hierin in toe, op voorwaarde dat zij binnen 30 minuten terug waren met een antwoord.

En inderdaad, binnen een half uur was Sharpe, een van de onderhandelaars, terug aan boord van de Swaenenburgh. Het antwoord van Manning was dat hij eerst wilde overleggen met de burgemeesters en raadslieden van New York.

Het bewuste gebied in Noord Amerika

 

Einde geduld.

Bij Evertsen ontstond terecht de vrees dat Manning trachtte tijd te rekken om soldaten vanuit het achterland terug te roepen naar het fort. Hij beval de commandant uit naam van de Staten-Generaal binnen een half uur het fort over te leveren.

Na precies dertig minuten opende de kanonnen van de vloot het vuur op het fort. Gelijktijdig gingen soldaten van de schepen met boten aan land. Het duurde daarop  niet lang voor de Engelse vlag werd gestreken en een witte vlag daarvoor in de plaats werd gehesen.

 

Fort Willem Hendrik

Fort Jems was gevallen. Het kreeg een nieuwe naam; Fort Willem Hendrik. New York kreeg de naam Nieuw Orangien, en de provincie die uit drie eilanden, drie steden en tientallen dorpen bestond werd Nieuw Nederland genoemd.

Willem Hendrik van Oranje

 

Blijdschap

De bewoners van Nieuw Orangien waren bijzonder blij met de overname van de macht. In september schreven de burgemeester, schout en schepenen van de stad een lange brief aan de Staten van Zeeland. Hierin bedankten de mannen Zeeland uit de grond van hun hart. Ze verzekerden de heren van Zeeland dat uit de overname alleen maar voordelen behaald zouden worden. Iedereen blij zou men denken.

Brief van de inwoners van Nieuw Orangien aan de Staten van Zeeland

 

 

Zeeland wilde Nieuw Orangien kwijt

De verovering van New York had intussen in 1673 de Republiek al bereikt. Eerst bij de Admiraliteit van Amsterdam, daarna bij de Staten Generaal en op 9 november werd verslag gedaan bij de Staten van Zeeland.

Het dure rampjaar was net achter de rug. In de verovering van Nieuw Orangien hadden zowel de admiraliteit van Amsterdam en Zeeland een aandeel. Doch de Staten Generaal zag het bestuur over Nieuw Nederland liever in Amsterdamse handen. Kortom, er was onenigheid en koortsachtig overleg en dat uiteraard om geld.

Terug in Zeeland

In juli 1674 keerde Evertsen terug in Zeeland. Hij werd echter niet met open armen ontvangen. Hem werd zelfs verweten dat hij zich niet aan zijn opdracht had gehouden. Hij had zich immers moeten beperken tot de verovering van Sint Helena en Cayenne, Ook had hij de opbrengsten van de onderweg en de in de Hudson gekaapte schepen nooit met de Hollander mogen delen.

Het familiewapen van Evertsen

Teleurgestelde Evertsen

De grootste teleurstelling kreeg Evertsen te verwerken toen hij hoorde dat Nieuw Orangien alweer aan de Engelsen handen was overgedragen. Bij de beëindiging van de Derde Engels-Nederlandse Oorlog was bij het Verdrag van Westminster in februari 1674 besloten New York voorgoed aan de Engelsen over te dragen.

Hield Evertsen hier een gebroken hart aan over? In ieder geval overleed hij, zwaar teleurgesteld, twee jaar later op 16 november 1706 in Middelburg.