Op 5 augustus 1666 verloor Nederland een van haar grootste zeehelden. Johan Evertsen kwam om bij een zeeslag op de Noordzee aan boord van zijn schip de Walcheren.

Johan Evertsen was de zoon van Johan Evertsen Sr., een commandeur bij de Zeeuwse admiraliteit en de kleinzoon van een Watergeus, Evert Heindricxzen, die ter onderscheid met zijn zoon meestal Jan de Kapitein werd genoemd.

Johan Evertsen Sr. was niet alleen een bedreven zeeman. Hij had zes zoons, waarvan er een op vroege leeftijd overleed en zes dochters. Johan Jr. was de oudste van de jongens. Johan werd op 1 februari 1600 in Vlissingen gedoopt. Zijn juiste geboortedatum is niet bekend.

Met voorvaderen die een grote staat van dienst op zee hadden opgebouwd, was het niet meer dan logisch dan dat de zonen ook voor het leven op zee kozen.

Traditioneel marinegezin

Johan kwam dan ook al op jonge leeftijd bij zijn vader aan boord aan boord van de Zwarte Galei. Tijdens een van zijn eerste reizen, Johan was toen 17, sneuvelde zijn vader tijdens een gevecht tegen Franse kapers bij La Rochelle. Johan Jr. nam zonder tegenspraak het bevel over het schip over.

Uit erkentelijkheid voor de verdiensten van hun vader, bevorderde de Admiraliteit van Zeeland Johan en zijn broers Evert, Pieter, Geleyn en Cornelis tot luitenants.

Op zijn 18de was Johan al kapitein op een schip. In een scheepsverslag van oktober 1618 wordt hij als zodanig vernoemd. Zijn eerste vermelding in de verslagen van de admiraliteit dateert uit 1622. In 1624 krijgt een aanstelling tot vaste kapitein.

1625 was een triest jaar voor Johan. Zijn broers Pieter en Evert sneuvelden tijdens een zeeslag met de Duinkerker kapers.

Johan Evertsen gravure van Abraham Blooteling

Johan Evertsen gravure van Abraham Blooteling

Bevorderingen

In datzelfde jaar vocht Johan onder admiraal Willem de Zoete bij La Rochelle, in 1625 en 1626 rechtstreeks onder luitenant-admiraal Laurens Reael als vice-commandeur tijdens een campagne aan de Barbarijse kust. Hierbij kwam zijn broer Geleyn om het leven tijdens een gevecht met een Portugees galjoen.

 

Op 24 april 1628 wist hij met vier schepen door een eskader van 27 Duinkerker kapers te breken dat een poging wilde ondernemen het buitgemaakte geld van de Zilvervloot te heroveren. Johan wist Piet Hein te waarschuwen waardoor deze aan de kapers wist te ontkomen.

Johan werd hiervoor bevorderd tot commandeur.

 

In de zomers van 1630 en 1631 voerde hij ‘kruistochten’ uit voor de Vlaamse kust. Deze werden zo genoemd vanwege het op en neer patrouilleren. Op 12 en 13 september nam hij deel aan het verijdelen van de invasie van Overflakkee door de Spaanse vloot tijdens de Slag op het Slaak.

In de vaarseizoenen van 1632 tot 1635 was Johan weer actief tegen de Duinkerker kapers. Maar de Nederlandse vloot was sterk verwaarloosd. Hierdoor leverden alle inspanningen van Evertsen weinig op.

In 1635 kreeg Evertsen het aan de stok met Jacques Colaert, een voor zichzelf werkende piraat die zijn diensten ter beschikking stelde van Duinkerken. Hij had het voornamelijk voorzien op de Nederlandse haringvloot op de Noordzee. Veel vissers, meestal doopsgezinden, werden hardhandig aangepakt ter vergelding van soortgelijke behandeling van gevangen genomen Duinkerkers door de Nederlanders.

Evertsen bij Kijkduin

Evertsen bij Kijkduin

 

Evertsen en zijn vier medekapiteins werden voor hun optreden door de Admiraliteit van Zeeland beloond met een gouden medaille.

Op 25 februari 1637 werd Evertsen benoemd tot vice-admiraal bij de Admiraliteit van Zeeland.

Dit leidde tot oproer in de vissersdorpen waar Johan werd verweten niets tegen de aanvallen van de Duinkerkers te hebben ondernomen. Evertsen was hierdoor zodanig gegriefd dat hij zijn ontslag aanbood, wat werd geweigerd. Maar al snel deed zich een gelegenheid voor om zich te wreken.

 

Jacques Colaert

Jacques Colaert

 

Op 18 februari 1636 verraste hij met vier schepen bij Duinkerke drie schepen van Colaert. Deze was net bezig onder valse vlag (de Prinsenvlag) een vijfde Nederlands schip te naderen. Door zelf de Engelse vlag te hijsen, wat heel gebruikelijk was in die tijd, kon Evertsen twee schepen, waaronder het vlaggenschip van Colaert tot zinken brengen. De kaper zelf werd gevangen genomen en hij gaf zich over aan Joost van Trappen Banckert.

Witte de With

In de Slag bij Duins in 1639 voerde Evertsen een eskader aan. Maar daarbij kreeg hij het aan de stok met de vice-admiraal van Holland en West Friesland; Witte de With, een  eigenwijs en hooghartig man die met iedereen overhoop lag. Deze verweet Evertsen lafheid omdat hij niet, zoals een andere admiraal, Maarten Tromp, voorstelde de Engelse vloot in de gaten te houden omdat de handelsbelangen van zijn provincie zich tegen het handelsconflict met Engeland zouden verzetten.

De With bood aan zelf de Engelsen af te dekken.

De verhouding tussen beiden raakte voorgoed verstoord toen bleek dat Evertsen van de Staten van Zeeland de helft van het buitgeld, dat eigenlijk Tromp toekwam, kreeg gegarandeerd.

Witte de With

Witte de With

 

 

Naar aanleiding van dit conflict kreeg Evertsen gedurende enige tijd geen grote commando’s meer. Wel ontwikkelde hij een steeds nauwere vriendschap met stadhouder Frederik Hendrik. In 1646 kreeg Evertsen op voorspraak van de Stadhouder Lodewijk XIII de orde van de Heilige Michael omdat hij diens leger had bijgestaan bij de verovering van Duinkerken.

Stadhouder Willem II raadde in 1649 Kardinaal Mazarin zelfs aan om alle correspondentie tussen hen beiden via admiraal Evertsen te laten lopen.

 

Tijdens de Eerste Engels-Nederlandse Oorlog van 29 mei 1652 tot 8 mei 1654 werd het conflict tussen Evertsen en de With steeds groter. Omdat Evertsen werd gezien als een persoonlijke vriend van Willem II was hij volgens de With gevaarlijk en Oranjegezind. Ook Tromp kreeg problemen met de With en vanaf 1652 lag hij uit de gratie. Evertsen werd aangesteld als waarnemend bevelhebber maar hij bedankte voor die functie en trok zich zelfs helemaal terug uit de vloot. De With werd aangesteld als de nieuwe bevelhebber.

Maar deze werd, mede door zijn onbeschofte gedrag tegenover en behandeling van de Zeeuwse kapiteins, min of meer in de steek gelaten en finaal verslagen bij de Slag bij de Hoofden. De With wist niets beters te bedenken dan zich ziek te melden.

Maarten Tromp werd aangesteld als waarnemend bevelhebber en Evertsen meldde zich weer aan voor dienst op zee. Hij vocht als eskadercommandant in de overwinning tijdens de Slag bij de Singels. Hij speelde daarbij persoonlijk een belangrijke rol door het vlaggenschip van Tromp, de Brederode, te ontzetten terwijl het door de Engelsen werd geënterd.

De Brederode van Adm. Tromp bij Hellevoetsluis

De Brederode van Adm. Tromp bij Hellevoetsluis

 Rustiger

In de daarop volgende jaren leek de driestheid die hem zo kenmerkte, hem enigszins verlaten te hebben. Ook zijn steeds weer terugkerende aanvaringen met de With belemmerden zijn handelen. Toen Tromp als bevelhebber sneuvelde bij de Slag bij Ter Heijde moest er een nieuwe bevelhebber komen. Michiel de Ruyter werd voorgesteld, maar hij had er geen trek in de twee kemphanen Evertsen en de With te commanderen.

 

Na de oorlog kreeg Evertsen lange tijd geen enkel commando. Pas na de dood van de With in 1659 trad hij weer in dienst en nam deel aan een expeditie onder de Ruyter naar de Oostzee tijdens de Vierde Noordse Oorlog. Hoewel hij de oudste in rang was en daaraan enig recht was verbonden moest hij zich schikken naar De Ruyter. Het duurde dan ook enige tijd voordat Evertsen zich in zijn ondergeschikte rol kon schikken. In oktober beriep Evertsen zich op zijn hoge leeftijd en voer terug naar huis. Hij liet De Ruyter achter, vier dagen voor zijn eindoverwinning op de Zweden. Evertsen bleef daarna vier jaar thuis.

Michiel Adriaansz. De Ruyter

Michiel Adriaansz. De Ruyter

 

 

Na zijn rustperiode

In 1665 koos de Zeeuwse vloot opnieuw zee. Evertsen was inmiddels bevorderd tot de eerste luitenant-admiraal die de vloot ooit had gekend. Maar het zelfgekozen stilzitten had Evertsen er niet krachtdadiger op gemaakt. Hij nam met zijn eskader deel aan de Slag bij Lowestoft. Zijn superieuren, Jacob van Wassenaar Obdam en Egbert Kortenaer sneuvelden tijdens deze slag en Evertsen werd algemeen bevelhebber. De verwarring tijdens de slag was zo groot dat Cornelis Tromp (zoon van) besloot zich met zijn schepen terug te trekken naar Texel. Evertsen kwam uiteindelijk slechts met vier schepen aan in Hellevoetsluis. Hij maakte geen beste indruk.

 

Hij werd door de Staten Generaal ontboden in Den Haag. Hij reisde via Den Briel maar daar werd hij door een menigte zeemansvrouwen uit zijn rijtuig gesleurd, mishandeld en geboeid in een gracht gesmeten. Hij werd door enkele soldaten ternauwernood gered en wist ’s nachts, vermomd en onder begeleiding van een militair escorte Den Briel te ontvluchten.

Op 17 juni kwam hij eindelijk, via omwegen, op een jacht aan in Delfshaven, waar hij door gedeputeerden van Zeeland naar de Staten Generaal werd gebracht.

Berechting?

Het verslag dat hij daar deed over de zeeslag kon de hoge heren niet overtuigen. Ook was de angst voor de woede van het volk zo groot dat werd besloten Evertsen onder begeleiding naar een krijgsraad in Den Helder te brengen. Daar zou worden geoordeeld over zijn vermeende lafheid.

De Staten Generaal – 1660

De Staten Generaal

 

Intussen was het bericht over de moordaanslag op Evertsen bij de vloot hard aangekomen. Alle Zeeuwse kapiteins die op de rede bij Texel voor anker lagen tekenden een protestbrief. Als eerste tekende Schout bij Nacht Banckert. Om de schijn te voorkomen dat ze niet achter het protest stonden, tekenden ook alle Hollandse en Friese vlagofficieren het protest.

Ondanks dat drongen de gedeputeerden aan op de berechting van Evertsen. Maar Cornelis Tromp, voorzitter van de krijgsraad, voelde er niets voor om te oordelen over Evertsen. Hij weigerde het voorzitterschap waardoor grote vertraging in de rechtszaak optrad.

Na een week waren de gemoederen in het land enigszins tot rust gekomen. Ook werd duidelijk dat niet de hele vloot verloren was gegaan. Er werd aangetoond dat Evertsen de schade aan de vloot nog redelijk had weten te beperken. Aan de 150 kogelinslagen in zijn eigen schip was te zien dat Evertsen de strijd niet uit de weg was gegaan.

Hij werd vrijgesproken en ontslagen van rechtsvervolging.

 

De gebroeders Johan en Cornelis Evertsen

De gebroeders Johan en Cornelis Evertsen – Herdacht op postzegels

Opnieuw naar zee

Het daarop volgende jaar hield Johan zich voornamelijk bezig met het verbeteren van de uitrusting van de Zeeuwse vloot. Maar op de dag dat zijn broer, luitenant-admiraal Cornelis Evertsen gedood werd tijdens de Vierdaagse Zeeslag werd hij op 21 juni 1666 weer opgeroepen.

Evertsen verklaarde bij zijn aanstelling dat hij, net als zijn vader en zijn broers zijn leven voor het vaderland te willen geven.

Zeven weken later, op 4 augustus 1666 tijdens de eerste dag van de Tweedaagse Zeeslag werd Evertsen, als commandant van de voorhoede, op zijn schip ‘de Walcheren’, getroffen door een boutkogel. Hij verloor hierdoor een been en overleed de volgende dag om vijf uur in de ochtend.

Praalgraf gebroeders Evertsen

Praalgraf gebroeders Evertsen

 

Graf in Middelburg

Op 9 september werd Johan Evertsen in de Noordmonsterkerk in Middelburg, naast zijn broer Cornelis begraven. Johan en Cornelis werden uiteindelijk in 1686, na een lang conflict tussen de familie en de Admiraliteit van Zeeland opnieuw samen ter aarde besteld in een praalgraf.

 

Hij liet een vrouw – Maayken Gorcum, twee zoons, Jan Evertsen de Jonge en viceadmiraal Cornelis Evertsen de Jonge, alsook drie dochters na.

 

 

Lange tijd was Johan Evertsen, vanwege zijn duidelijke sympathie voor de Oranjes omstreden. Later erkende men zijn vakmanschap en moed. Er zijn na zijn dood tal van marineschepen naar hem vernoemd. Het eerste was een kanonneerschoener in 1803. Het laatste schip met zijn naam is een luchtverdedinginsfregat dat in 2004 in dienst werd gesteld.

Zr.Ms. Evertsen

Zr.Ms. Evertsen