Willem Tiberias Hattinga kwam oorspronkelijk uit Leek in Groningen. Hij was de zoon van een welgestelde predikant en de uit Zeeland afkomstige Maria Thielenius. Hij groeide op in Staats-Vlaanderen waar zijn vader werd beroepen tot predikant in Sluis.

Hattinga studeerde medicijnen in Leiden en in 1724 werd hij militair arts in Staatse dienst. Daarnaast vervulde hij ook nog andere functies, waaronder die van rechter.

Zij eerste standplaats was het fort Lillo aan de Schelde, vlak bij Antwerpen. Hier trouwde hij in 1728 met Anna Maria Counry.

De zonen van Hattinga

De gebroeders Hattinga

De gebroeders Hattinga

Het paar kreeg twee zonen, op 7 april 1730 werd David Willem Carel geboren, die zich later David Willem Counry zou gaan noemen en een jaar later gevolgd door Anthony. Beide jongens namen al op jonge leeftijd dienst in het Staatse leger. Zij werden daar opgeleid tot militair ingenieur.

In Leiden had Willem Tiberius blijk gegeven een grote aanleg te hebben voor exacte wetenschappen. Naast medicijnen studeerde hij ook wis- en natuurkunde.

Kennismaking met Zeeland

Na zijn plaatsing in Lillo begon Willem in zijn vrije tijd in een periode van 20 jaar heel Staats-Vlaanderen militair-topografisch in kaart te brengen. Hij deed dit werk deels door eigen opmetingen en voor een ander deel gebruikte hij kaarten van anderen. Zelf zei hij dit werk te doen uit “Genegentheid” voor de cartografie en de “lust en drift” om die interesse in praktische kaarten om te zetten. Waarschijnlijk werkte hij voor een deel ook opdrachten van overheidswege uit. Dit in het kader van de onderhandelingen, welke tussen 1737 en 1741 in Antwerpen werden gevoerd tussen de Republiek en Oostenrijk over het verloop van de grens tussen Staats-Vlaanderen en de Zuidelijke Nederlanden.

Kaart van Walcheren 1753

Kaart van Walcheren 1753

Het resultaat van deze inspanningen liet Hattinga, door zijn zoon David Willem, voorleggen aan de Raad van State, in de vorm van een, tot dan toe, ongekend gedetailleerde en nauwkeurige topografische overzichtskaart van Staats-Vlaanderen.

Officieel cartograaf

Zijn kaarten werden door de Raad en door Stadhouder Willem IV zo enthousiast ontvangen dat dit een reeks van prestigieuze vervolgopdrachten opleverde. In 1745 kreeg hij de opdracht voor de samenstelling van een complete atlas van Staats-Vlaanderen. In 1752 volgde een opdracht voor een atlas van de toenmalige provincie Zeeland.

Zijn Atlas van Staats-Vlaanderen bestaande uit vijf delen, kon Hattinga pas afgerond aanbieden in 1751, twee jaar nadat hij zijn ontslag uit Staatse dienst had aangeboden. Hij had zich intussen geïnstalleerd als geneesheer in Hulst en Hulsterambacht.

De zonen aan het werk

Zijn zoons hadden intussen het leeuwendeel van de verschillende carteringsopdrachten van hun vader overgenomen. Zij waren het dan ook die in 1755 de Atlas der Provincie Zeeland (in vier delen, zonder Zeeuws-Vlaanderen, maar wel met Goeree-Overflakkee) onder hun eigen naam aan de “Edele Mogende Heeren Raaden van Staaten” konden presenteren.

De verzamelde werken van de Hattinga's

De verzamelde werken van de Hattinga’s

 

David Willem, die inmiddels de naam Counry, de naam van zijn moeder, als derde voornaam had toegevoegd, werd in 1755 aangesteld als militair ingenieur in de kolonie Berbice, een Nederlandse nederzetting aan de noordkust van Zuid Amerika (het latere Frans Guyana). In de 17de en 18de eeuw lag Berbice aan de Rio Berbice. De hoofdstad was Nieuw Amsterdam. Berbice werd in 1627 gesticht door de Zeeuwse koopman Abraham van Peere.

Ontevreden en ongelukkig

David Willem was inmiddels tot kapitein-ingenieur bevorderd. Zijn verblijf daar was geen succes. Hij haatte de vochtige en warme omstandigheden en hij miste zijn broer en Zeeland.

Hij raakte behoorlijk aan de drank. Door zijn overvloedig drankgebruik raakte de kaart van Berbice die hij moest maken nooit af.

In 1763 brak in de kolonie, die toen onder leiding stond van Gouverneur Wolfert Simon Hoogenheim, een slavenopstand uit. Hattinga ontwierp een plan om de kolonie van de ondergang te redden, dat uiteindelijk tot succes leidde. Maar Hattinga vergreep zich op de Post St. Andries, waarover hij de leiding had, opnieuw aan de drank. Op 19 september 1763 verliet hij, in staat van delirium, met 15 manschappen de post en hij voer de rivier de Canje op. Hij droeg zijn mannen op te schieten op elk vaartuig dat ze tegen kwamen, zonder vast te stellen aan welke kant ze stonden.

Soldaten, ploeterend door het moeras tijdens de slavenopstand

Soldaten, ploeterend door het moeras tijdens de slavenopstand

Kapitein van Rijssel werd bij het vernemen van dit nieuws, onmiddellijk naar St. Andries gestuurd om de leiding van Hattinga over te nemen. Luitenant Pronk werd met een groep soldaten achter Hattinga aangestuurd.

Krijgsraad en ter dood veroordeling

Hattinga werd gevangen genomen en voor de krijgsraad gebracht. Hij werd van al zijn ambten ontheven en ter dood veroordeeld. Later werd deze straf omgezet in verbanning. Hij werd terug gestuurd naar de Nederlanden, maar leed, met het schip waarop hij meevoer, schipbreuk voor de Franse kust.

Eerherstel

Eenmaal terug in de Nederlanden negeerde men zijn escapades en zijn drankzucht in Zuid-Amerika. Op basis van zijn verdiensten werd hij later benoemd tot opzichter-generaal van de zeewerken in Staats-Vlaanderen.

Kaart van Veere van de hand van Hattinga

Kaart van Veere van de hand van Hattinga

 

 

 

Weer in Nederland aan het werk

Samen met zijn broer ging hij weer aan de slag. Zij deden cartografische opmetingen, voornamelijk van Zeeland, maar ook van Noord Brabant en de “Frontieren” Gelderland, Groningen en Overijssel.

In zekere zin kunnen de Hattinga kaarten, door hun oog voor detail, worden beschouwd als een nieuw en betrouwbaar uitgangspunt voor de interpretatie van Nederland en zijn het de voorlopers van de moderne topografische kaarten.

David Willem Counry Hattinga overleed op 4 januari 1790 in Hulst, waar hij in een familiegraf in de kerk werd bijgezet.